Job
Chapter 33
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Reina-Valera 1909
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Luister nu, Job, naar mijn rede, En leen het oor aan heel mijn betoog.
1POR tanto, Job, oye ahora mis razones, y escucha todas mis palabras.
2Zie, ik heb mijn mond geopend, Mijn tong in mijn gehemelte spreekt;
2He aquí yo abriré ahora mi boca, y mi lengua hablará en mi garganta.
3Mijn hart stort woorden van wijsheid uit, Mijn lippen verkonden duidelijke taal!
3Mis razones declararán la rectitud de mi corazón, y mis labios proferirán pura sabiduría.
4De geest van God heeft mij gemaakt, De adem van den Almachtige mij het leven geschonken;
4El espíritu de Dios me hizo, y la inspiración del Omnipotente me dió vida.
5Antwoord mij dus, zo ge kunt; Houd u gereed, stel u tegen mij op!
5Si pudieres, respóndeme; dispón tus palabras , está delante de mí.
6Ik ben dus voor God aan u gelijk, Ook ik ben gekneed uit leem:
6Heme aquí á mí en lugar de Dios, conforme á tu dicho: de lodo soy yo también formado.
7Dus behoeft u geen vrees voor mij te verschrikken Mijn hand niet zwaar u te drukken.
7He aquí que mi terror no te espantará, ni mi mano se agravará sobre ti.
8Ge hebt voor mijn eigen oren verklaard, En ik heb uw woorden verstaan:
8De cierto tú dijiste á oídos míos, y yo oí la voz de tus palabras que decían :
9“Ik ben rein, zonder zonde, Ik ben zuiver, op mij rust geen schuld!”
9Yo soy limpio y sin defecto; y soy inocente, y no hay maldad en mí.
10“Toch vindt Hij klachten tegen mij, En behandelt mij als zijn vijand;
10He aquí que él buscó achaques contra mí, y me tiene por su enemigo;
11Hij steekt mijn voeten in het blok, Bespiedt al mijn gangen.
11Puso mis pies en el cepo, y guardó todas mis sendas.
12Zie, als ik roep, antwoordt Hij niet Want God is groter dan een mens!”
12He aquí en esto no has hablado justamente: yo te responderé que mayor es Dios que el hombre.
13Hoe hebt ge Hem durven verwijten, Dat Hij op geen van uw woorden antwoord geeft?
13¿Por qué tomaste pleito contra él? Porque él no da cuenta de ninguna de sus razones.
14Het is, omdat God slechts eenmaal spreekt, En het geen tweede keer herhaalt:
14Sin embargo, en una ó en dos maneras habla Dios; mas el hombre no entiende.
15In een droom, in een nachtelijk visioen In de sluimering op de sponde.
15Por sueño de visión nocturna, cuando el sueño cae sobre los hombres, cuando se adormecen sobre el lecho;
16Dan opent Hij het oor van de mensen, En verschrikt hen door zijn visioenen,
16Entonces revela al oído de los hombres, y les señala su consejo;
17Om den mens van trots te weerhouden, Den man voor hoogmoed te behoeden;
17Para quitar al hombre de su obra, y apartar del varón la soberbia.
18Om zo zijn ziel voor de groeve te bewaren, Zijn leven voor de gang naar het graf.
18Detendrá su alma de corrupción, y su vida de que pase á cuchillo.
19Dan kastijdt Hij hem door smart op zijn sponde, Door een koorts in zijn beenderen zonder eind,
19También sobre su cama es castigado con dolor fuerte en todos sus huesos,
20Zodat zijn leven van het brood gaat walgen, Zijn ziel van de begeerlijkste spijs;
20Que le hace que su vida aborrezca el pan, y su alma la comida suave.
21Zijn vlees slinkt zienderogen weg, Zijn gebeente, eens onzichtbaar, ligt bloot.
21Su carne desfallece sin verse, y sus huesos, que antes no se veían, aparecen.
22Maar zelfs als zijn ziel het graf al nabij is, Zijn leven het oord van de doden: Zo hij besluit in zijn hart, zich tot God te keren En hij zijn dwaasheid erkent:
22Y su alma se acerca al sepulcro, y su vida á los que causan la muerte.
23Dan treedt er voor hem een engel op, Een tolk, een uit de duizend. Dan wijst hij den mens op zijn plicht,
23Si tuviera cerca de él algún elocuente anunciador muy escogido, que anuncie al hombre su deber;
24Ontfermt zich zijner, en spreekt: Laat hem toch niet in de groeve dalen, Ik heb zijn losprijs gevonden
24Que le diga que Dios tuvo de él misericordia, que lo libró de descender al sepulcro, que halló redención:
25Zijn vlees worde frisser dan in zijn jeugd, Hij kere tot zijn jonkheid terug!
25Enterneceráse su carne más que de niño, volverá á los días de su mocedad.
26Dan laat God Zich verbidden; genadig neemt Hij hem aan, Doet hem zijn aanschijn met jubel aanschouwen, En schenkt den mens zijn gerechtigheid terug.
26Orará á Dios, y le amará, y verá su faz con júbilo: y él restituirá al hombre su justicia.
27Dan juicht hij het uit voor de mensen, en zegt: Ik heb gezondigd, het recht verdraaid, Maar Hij heeft het niet op mij gewroken!
27El mira sobre los hombres; y el que dijere: Pequé, y pervertí lo recto, y no me ha aprovechado;
28Zo behoedt Hij zijn ziel voor de gang naar het graf, En verlustigt zijn leven zich in het licht!
28Dios redimirá su alma, que no pase al sepulcro, y su vida se verá en luz.
29Zie, dit alles doet God Tweemaal, driemaal met een mens:
29He aquí, todas estas cosas hace Dios dos y tres veces con el hombre;
30Hij brengt zijn leven terug van het graf, En bestraalt hem met het levenslicht!
30Para apartar su alma del sepulcro, y para iluminarlo con la luz de los vivientes.
31Luister dus, Job, en hoor naar mij; Zwijg stil, en laat het spreken aan mij.
31Escucha, Job, y óyeme; calla, y yo hablaré.
32Hebt ge dan iets te zeggen, antwoord mij; Spreek dan, want ik geef u gaarne gelijk.
32Que si tuvieres razones, respóndeme: habla, porque yo te quiero justificar.
33Zo niet, luister naar mij, En zwijg, ik zal u wijsheid leren!
33Y si no, óyeme tú á mí; calla, y enseñarte he sabiduría.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.