Job 17
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Mijn geest gebroken, mijn dagen geblust, Mij rest slechts het graf!
1MI ALIENTO está corrompido, acórtanse mis días, y me está aparejado el sepulcro.
2Ben ik niet het mikpunt van spot, Verkwijnt niet mijn oog door de bittere verwijten?
2No hay conmigo sino escarnecedores, en cuya acrimonia se detienen mis ojos.
3Stel Uzelf bij U tot borg voor mijl; Wie anders zou voor mij handslag geven?
3Pon ahora, dame fianza para litigar contigo: ¿quién tocará ahora mi mano?
4Want hùn hart hebt Gij voor inzicht gesloten, En daarom steken zij de hand niet uit;
4Porque á éstos has tú escondido su corazón de inteligencia: por tanto, no los ensalzarás.
5Men beklaagt het lot van zijn vrienden Terwijl de ogen versmachten van de eigen kinderen;
5El que denuncia lisonjas á sus prójimos, los ojos de sus hijos desfallezcan.
6Men heeft mij tot spreekwoord gemaakt bij de mensen, Ik ben een, wien men in het aangezicht spuwt!
6El me ha puesto por parábola de pueblos, y delante de ellos he sido como tamboril.
7Mijn oog is dof van verdriet, Mijn leden zijn tot een schaduw vervluchtigd!
7Y mis ojos se oscurecieron de desabrimiento, y mis pensamientos todos son como sombra.
8De braven ontstellen ervan, De onschuldige is jaloers op den boze:
8Los rectos se maravillarán de esto, y el inocente se levantará contra el hipócrita.
9Moet de rechtvaardige toch zijn weg maar bewandelen, Wie rein van handen is, zijn kracht nog verdubbelen?
9No obstante, proseguirá el justo su camino, y el limpio de manos aumentará la fuerza.
10En daarom, hoe gij u allen wendt of keert, Een wijze vind ik onder u niet;
10Mas volved todos vosotros, y venid ahora, que no hallaré entre vosotros sabio.
11Mijn levensdagen zijn voorbij, Mijn plannen, mijn hartewensen vernield!
11Pasáronse mis días, fueron arrancados mis pensamientos, los designios de mi corazón.
12Men maakt een dag van de nacht, Van duisternis het morgenlicht!
12Pusieron la noche por día, y la luz se acorta delante de las tinieblas.
13Kan ik nog hopen? Het dodenrijk is mijn huis, In de duisternis heb ik mijn leger gespreid;
13Si yo espero, el sepulcro es mi casa: haré mi cama en las tinieblas.
14Tot het graf geroepen: Gij zijt mijn vader, Tot de wormen: Gij zijt mijn moeder en zusters!
14A la huesa tengo dicho: Mi padre eres tú; á los gusanos: Mi madre y mi hermana.
15Waar is mijn hoop, Mijn geluk, wie kan het ontdekken:
15¿Dónde pues estará ahora mi esperanza? y mi esperanza ¿quién la verá?
16Zullen ze met mij in het dodenrijk dalen, Zinken wij samen neer in het stof?
16A los rincones de la huesa descenderán, y juntamente descansarán en el polvo.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.