Job
Chapter 31
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Reina-Valera 1909
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Toch had ik een verbond met mijn ogen gesloten, Om niet te kijken naar een maagd.
1HICE pacto con mis ojos: ¿cómo pues había yo de pensar en virgen?
2Want wat is het lot, door God in den hoge beschikt, Het erfdeel door den Almachtige daarboven bepaald?
2Porque ¿qué galardón me daría de arriba Dios, y qué heredad el Omnipotente de las alturas?
3Het is de ondergang voor den ongerechte, Voor den boosdoener onheil!
3¿No hay quebrantamiento para el impío, y extrañamiento para los que obran iniquidad?
4Slaat Hij mijn wegen niet gade, En telt Hij al mijn schreden niet?
4¿No ve él mis caminos, y cuenta todos mis pasos?
5Ben ik ooit met leugens omgegaan, Of heeft zich mijn voet gerept tot bedrog?
5Si anduve con mentira, y si mi pie se apresuró á engaño,
6God wege mij slechts op een eerlijke schaal, En Hij zal mijn onschuld moeten erkennen!
6Péseme Dios en balanzas de justicia, y conocerá mi integridad.
7Indien mijn tred is afgeweken Van het rechte pad; Mijn hart mijn ogen achterna is gelopen, Of smetten aan mijn handen kleven:
7Si mis pasos se apartaron del camino, y si mi corazón se fué tras mis ojos, y si algo se apegó á mis manos,
8Dan moge ik zaaien, een ander het eten, En wat ik geplant heb, worde uitgerukt!
8Siembre yo, y otro coma, y mis verduras sean arrancadas.
9Indien mijn hart is verleid door een vrouw, Ik geloerd heb aan de deur van mijn naaste:
9Si fué mi corazón engañado acerca de mujer, y si estuve acechando á la puerta de mi prójimo:
10Dan moge mijn vrouw voor een ander malen, En mogen anderen haar bezitten;
10Muela para otro mi mujer, y sobre ella otros se encorven.
11Want dat zou een schanddaad zijn, En een halszaak voor het gerecht!
11Porque es maldad é iniquidad, que han de castigar los jueces.
12Dan brande een vuur tot het dodenrijk En vertere heel mijn bezit!
12Porque es fuego que devoraría hasta el sepulcro, y desarraigaría toda mi hacienda.
13Indien ik het recht van mijn slaaf heb verkracht, Of van mijn slavin, met mij in geschil:
13Si hubiera tenido en poco el derecho de mi siervo y de mi sierva, cuando ellos pleitearan conmigo,
14Wat zou ik doen, als God Zich verhief, Wat Hem antwoorden, als Hij de zaak onderzocht?
14¿Qué haría yo cuando Dios se levantase? y cuando él visitara, ¿qué le respondería yo?
15Heeft Hij, die mij in de moederschoot schiep, ook hen niet gemaakt, Heeft niet Een en Dezelfde ons in haar lichaam gevormd?
15El que en el vientre me hizo á mí, ¿no lo hizo á él? ¿y no nos dispuso uno mismo en la matriz?
16Heb ik ooit een arme een bede geweigerd, De ogen van een weduwe laten versmachten;
16Si estorbé el contento de los pobres, é hice desfallecer los ojos de la viuda;
17Heb ik ooit alleen mijn brood genuttigd, En de wees daarvan niet mee laten eten?
17Y si comí mi bocado solo, y no comió de él el huérfano;
18Neen, van kindsbeen af bracht ik hem groot als een vader, Van de moederschoot af ben ik haar leidsman geweest.
18(Porque desde mi mocedad creció conmigo como con padre, y desde el vientre de mi madre fuí guía de la viuda;)
19Heb ik ooit een zwerver zonder kleding gezien, Of een arme zonder bedekking;
19Si he visto que pereciera alguno sin vestido, y al menesteroso sin cobertura;
20Hebben zijn lendenen mij niet moeten zegenen, Werd hij niet verwarmd door de wol mijner schapen?
20Si no me bendijeron sus lomos, y del vellón de mis ovejas se calentaron;
21Indien ik mijn hand tegen een rechtschapene ophief, Omdat ik bemerkte, dat men mij in de poort ondersteunde:
21Si alcé contra el huérfano mi mano, aunque viese que me ayudarían en la puerta;
22Dan valle mijn schouder uit het gewricht, Worde mijn arm uit het gelid gerukt;
22Mi espalda se caiga de mi hombro, y mi brazo sea quebrado de mi canilla.
23Dan treffe mij de verschrikking van God, En ik houde geen stand voor zijn Majesteit!
23Porque temí el castigo de Dios, contra cuya alteza yo no tendría poder.
24Indien ik op goud mijn vertrouwen heb gesteld, Het fijnste goud mijn hoop heb genoemd;
24Si puse en oro mi esperanza, y dije al oro: Mi confianza eres tú;
25Mij verheugd heb ik in de macht van mijn rijkdom, En in de geweldige winst van mijn hand:
25Si me alegré de que mi hacienda se multiplicase, y de que mi mano hallase mucho;
26Indien ik heb opgestaard naar de stralende zon, Naar de glanzende maan, die haar weg vervolgde,
26Si he mirado al sol cuando resplandecía, y á la luna cuando iba hermosa,
27Zodat mijn hart in het geheim werd verleid, En mijn hand mijn mond heeft gekust
27Y mi corazón se engañó en secreto, y mi boca besó mi mano:
28Ook dat zou een halszaak voor het gerecht zijn geweest, Omdat ik God in den hoge had verloochend!
28Esto también fuera maldad juzgada; porque habría negado al Dios soberano.
29Heb ik mij in het ongeluk van mijn vijand verheugd, Of gejubeld, omdat onheil hem trof;
29Si me alegré en el quebrantamiento del que me aborrecía, y me regocijé cuando le halló el mal;
30Heb ik mijn gehemelte niet verboden te zondigen, En door een verwensing zijn leven te eisen;
30(Que ni aun entregué al pecado mi paladar, pidiendo maldición para su alma;)
31Hebben mijn tentgenoten niet gezegd: Wie verzadigt zich niet aan het vlees van zijn vijand?
31Cuando mis domésticos decían: ¡Quién nos diese de su carne! nunca nos hartaríamos.
32De zwerver behoefde niet buiten te overnachten Voor den reiziger heb ik de deuren geopend.
32El extranjero no tenía fuera la noche; mis puertas abría al caminante.
33Indien ik mijn misdaad voor de mensen bedekt heb, In mijn boezem mijn schuld heb verborgen,
33Si encubrí, como los hombres mis prevaricaciones, escondiendo en mi seno mi iniquidad;
34Omdat ik de grote menigte vreesde, En bang was voor de verachting der geslachten: Dan moge ik verstommen, en de deur niet meer uitgaan,
34Porque quebrantaba á la gran multitud, y el menosprecio de las familias me atemorizó, y callé, y no salí de mi puerta:
35Wie zou er dan nog naar mij horen! Zie hier mijn handtekening! De Almachtige antwoorde mij; Mijn beschuldiger schrijve zijn aanklacht neer!
35¡Quién me diera quien me oyese! He aquí mi impresión es que el Omnipotente testificaría por mí, aunque mi adversario me hiciera el proceso.
36Waarachtig, ik wil ze op mijn schouder nemen Er mij als met een krans mee omhangen;
36Ciertamente yo lo llevaría sobre mi hombro, y me lo ataría en lugar de corona.
37Ik zal Hem mijn schreden een voor een tonen, En voor zijn aanschijn treden als een vorst!
37Yo le contaría el número de mis pasos, y como príncipe me llegaría á él.
38Indien mijn akker tegen mij klaagde Zijn voren gezamenlijk weenden;
38Si mi tierra clama contra mí, y lloran todos sus surcos;
39Indien ik zijn vrucht heb genoten, zonder te betalen, En zijn bezitter liet zuchten:
39Si comí su sustancia sin dinero, ó afligí el alma de sus dueños;
40Dan mogen doornen opschieten inplaats van tarwe, En stinkend onkruid inplaats van gerst! Hier eindigen de woorden van Job.
40En lugar de trigo me nazcan abrojos, y espinas en lugar de cebada. Acábanse las palabras de Job.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.