Job 31
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Toch had ik een verbond met mijn ogen gesloten, Om niet te kijken naar een maagd.
1Smlouvu jsem učinil s očima svýma, a proč bych hleděl na pannu?
2Want wat is het lot, door God in den hoge beschikt, Het erfdeel door den Almachtige daarboven bepaald?
2Nebo jaký jest díl od Boha s hůry, aneb dědictví od Všemohoucího s výsosti?
3Het is de ondergang voor den ongerechte, Voor den boosdoener onheil!
3Zdaliž zahynutí nešlechetnému a pomsta zázračná činitelům nepravosti připravena není?
4Slaat Hij mijn wegen niet gade, En telt Hij al mijn schreden niet?
4Zdaliž on nevidí cest mých, a všech kroků mých nepočítá?
5Ben ik ooit met leugens omgegaan, Of heeft zich mijn voet gerept tot bedrog?
5Obíral-li jsem se s neupřímostí, a chvátala-li ke lsti noha má:
6God wege mij slechts op een eerlijke schaal, En Hij zal mijn onschuld moeten erkennen!
6Nechť mne zváží na váze spravedlnosti, a přezví Bůh upřímost mou.
7Indien mijn tred is afgeweken Van het rechte pad; Mijn hart mijn ogen achterna is gelopen, Of smetten aan mijn handen kleven:
7Uchýlil-li se krok můj s cesty, a za očima mýma odešlo-li srdce mé, a rukou mých chytila-li se jaká poškvrna:
8Dan moge ik zaaien, een ander het eten, En wat ik geplant heb, worde uitgerukt!
8Tedy co naseji, nechť jiný sní, a výstřelkové moji ať jsou vykořeněni.
9Indien mijn hart is verleid door een vrouw, Ik geloerd heb aan de deur van mijn naaste:
9Jestliže se dalo přivábiti srdce mé k ženě, a u dveří bližního svého činil-li jsem úklady:
10Dan moge mijn vrouw voor een ander malen, En mogen anderen haar bezitten;
10Nechť mele jinému žena má, a nad ní ať se schylují jiní.
11Want dat zou een schanddaad zijn, En een halszaak voor het gerecht!
11Neboť jest to nešlechetnost, a nepravost odsudku hodná.
12Dan brande een vuur tot het dodenrijk En vertere heel mijn bezit!
12Oheň ten zajisté by až do zahynutí žral, a všecku úrodu mou vykořenil.
13Indien ik het recht van mijn slaaf heb verkracht, Of van mijn slavin, met mij in geschil:
13Nechtěl-li jsem státi k soudu s služebníkem svým aneb děvkou svou v rozepři jejich se mnou?
14Wat zou ik doen, als God Zich verhief, Wat Hem antwoorden, als Hij de zaak onderzocht?
14Nebo co bych činil, kdyby povstal Bůh silný? A kdyby vyhledával, co bych odpověděl jemu?
15Heeft Hij, die mij in de moederschoot schiep, ook hen niet gemaakt, Heeft niet Een en Dezelfde ons in haar lichaam gevormd?
15Zdali ten, kterýž mne v břiše učinil, neučinil i jeho? A nesformoval nás hned v životě jeden a týž?
16Heb ik ooit een arme een bede geweigerd, De ogen van een weduwe laten versmachten;
16Odepřel-li jsem žádosti nuzných, a oči vdovy jestliže jsem kormoutil?
17Heb ik ooit alleen mijn brood genuttigd, En de wees daarvan niet mee laten eten?
17A jedl-li jsem skyvu svou sám, a nejedl-li i sirotek z ní?
18Neen, van kindsbeen af bracht ik hem groot als een vader, Van de moederschoot af ben ik haar leidsman geweest.
18Poněvadž od mladosti mé rostl se mnou jako u otce, a od života matky své býval jsem vdově za vůdce.
19Heb ik ooit een zwerver zonder kleding gezien, Of een arme zonder bedekking;
19Díval-li jsem se na koho, že by hynul, nemaje šatů, a nuzný že by neměl oděvu?
20Hebben zijn lendenen mij niet moeten zegenen, Werd hij niet verwarmd door de wol mijner schapen?
20Nedobrořečila-li mi bedra jeho, že rounem beranů mých se zahřel?
21Indien ik mijn hand tegen een rechtschapene ophief, Omdat ik bemerkte, dat men mij in de poort ondersteunde:
21Opřáhl-li jsem na sirotka rukou svou, když jsem v bráně viděl pomoc svou:
22Dan valle mijn schouder uit het gewricht, Worde mijn arm uit het gelid gerukt;
22Lopatka má od svých plecí nechť odpadne, a ruka má z kloubu svého ať se vylomí.
23Dan treffe mij de verschrikking van God, En ik houde geen stand voor zijn Majesteit!
23Nebo jsem se bál, aby mne Bůh nesetřel, jehož bych velebnosti nikoli neznikl.
24Indien ik op goud mijn vertrouwen heb gesteld, Het fijnste goud mijn hoop heb genoemd;
24Skládal-li jsem v zlatě naději svou, aneb hrudě zlata říkal-li jsem: Doufání mé?
25Mij verheugd heb ik in de macht van mijn rijkdom, En in de geweldige winst van mijn hand:
25Veselil-li jsem se z toho, že bylo rozmnoženo zboží mé, a že ho množství nabyla ruka má?
26Indien ik heb opgestaard naar de stralende zon, Naar de glanzende maan, die haar weg vervolgde,
26Hleděl-li jsem na světlost slunce svítícího, a na měsíc spanile chodící,
27Zodat mijn hart in het geheim werd verleid, En mijn hand mijn mond heeft gekust
27Tak že by se tajně dalo svésti srdce mé, a že by líbala ústa má ruku mou?
28Ook dat zou een halszaak voor het gerecht zijn geweest, Omdat ik God in den hoge had verloochend!
28I toť by byla nepravost odsudku hodná; neboť bych tím zapíral Boha silného nejvyššího.
29Heb ik mij in het ongeluk van mijn vijand verheugd, Of gejubeld, omdat onheil hem trof;
29Radoval-li jsem se z neštěstí toho, kterýž mne nenáviděl, a plésal-li jsem, když se mu zle vedlo?
30Heb ik mijn gehemelte niet verboden te zondigen, En door een verwensing zijn leven te eisen;
30Nedopustilť jsem zajisté hřešiti ani ústům svým, abych zlořečení žádal duši jeho.
31Hebben mijn tentgenoten niet gezegd: Wie verzadigt zich niet aan het vlees van zijn vijand?
31Jestliže neříkala čeládka má: Ó by nám dal někdo masa toho; nemůžeme se ani najísti?
32De zwerver behoefde niet buiten te overnachten Voor den reiziger heb ik de deuren geopend.
32Nebo vně nenocoval host, dvéře své pocestnému otvíral jsem.
33Indien ik mijn misdaad voor de mensen bedekt heb, In mijn boezem mijn schuld heb verborgen,
33Přikrýval-li jsem jako jiní lidé přestoupení svá, skrývaje v skrýši své nepravost svou?
34Omdat ik de grote menigte vreesde, En bang was voor de verachting der geslachten: Dan moge ik verstommen, en de deur niet meer uitgaan,
34A ač bych byl mohl škoditi množství velikému, ale pohanění rodů děsilo mne; protož jsem mlčel, nevycházeje ani ze dveří.
35Wie zou er dan nog naar mij horen! Zie hier mijn handtekening! De Almachtige antwoorde mij; Mijn beschuldiger schrijve zijn aanklacht neer!
35Ó bych měl toho, kterýž by mne vyslyšel. Ale aj, totoť jest znamení mé: Všemohoucí sám bude odpovídati za mne, a kniha, kterouž sepsal odpůrce můj.
36Waarachtig, ik wil ze op mijn schouder nemen Er mij als met een krans mee omhangen;
36Víť Bůh, nenosil-li bych ji na rameni svém, neotočil-li bych ji sobě místo koruny.
37Ik zal Hem mijn schreden een voor een tonen, En voor zijn aanschijn treden als een vorst!
37Počet kroků svých oznámil bych jemu, jako kníže přiblížil bych se k němu.
38Indien mijn akker tegen mij klaagde Zijn voren gezamenlijk weenden;
38Jestliže proti mně země má volala, tolikéž i záhonové její plakali,
39Indien ik zijn vrucht heb genoten, zonder te betalen, En zijn bezitter liet zuchten:
39Jídal-li jsem úrody její bez peněz, a duši držitelů jejich přivodil-li jsem k vzdychání:
40Dan mogen doornen opschieten inplaats van tarwe, En stinkend onkruid inplaats van gerst! Hier eindigen de woorden van Job.
40Místo pšenice nechť vzejde trní, a místo ječmene koukol.
no verse 41 in this text
41Skonávají se slova Jobova.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.