Job
Chapter 30
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kralice Bible (1613)
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Maar thans lachen jongere mensen mij uit, Lieden, wier vaders te min voor mij waren, Om ze bij mijn herdershonden te zetten;
1Nyní pak posmívají se mi mladší mne, jejichž bych otců nechtěl byl postaviti se psy stáda svého.
2Wier sterke hand mij zelfs niet kan dienen, Daar al hun kracht verloren ging,
2Ač síla rukou jejich k čemu by mi byla? Zmařena jest při nich starost jejich.
3Door gebrek en honger is uitgeput. Lieden, die de stronken afknagen in de woestijn, In het land der steppe en wildernis;
3Nebo chudobou a hladem znuzeni, utíkali na planá, tmavá, soukromná a pustá místa.
4Die zilte kruiden van de struiken plukken, En zich voeden met de wortels der brem;
4Kteříž trhali zeliny po chrastinách, ano i koření, a jalovec za pokrm byl jim.
5Die uit de samenleving zijn weggejaagd, En die men naschreeuwt als dieven.
5Z prostřed lidí vyháníni byli; povolávali za nimi, jako za zlodějem,
6Lieden, die in de krochten van afgronden wonen, In aardholen en rotsen;
6Tak že musili bydliti v výmolích potoků, v děrách země a skálí.
7Die balken tussen de struiken, Samenhokken onder de netels;
7V chrastinách řvali, pod trní se shromažďovali,
8Die als een dwaas en naamloos broed Weggezweept zijn uit het land.
8Lidé nejnešlechetnější, nýbrž lidé bez poctivosti, menší váhy i než ta země.
9En thans ben ik hun spotlied geworden, En de stof voor hun praat.
9Nyní, pravím, jsem jejich písničkou, jsa jim učiněn za přísloví.
10Vol afschuw blijven ze op een afstand staan, En ontzien zich niet, mij in het gezicht te spuwen.
10V ošklivosti mne mají, vzdalují se mne, a na tvář mou nestydí se plvati.
11Zij mishandelen mij, nu ze hun teugel hebben losgerukt Hun breidel hebben afgeworpen.
11Nebo Bůh mou vážnost odjal, a ssoužil mne; pročež uzdu před přítomností mou svrhli.
12Aan mijn rechterhand verheft zich dat broed, Mijn voeten stoten hen weg; Ze banen tegen mij hun onheilspaden,
12Po pravici mládež povstává, nohy mi podrážejí, tak že šlapáním protřeli ke mně stezky nešlechetnosti své.
13En vernielen mijn weg, om mij te verderven. Ze trekken op, er is niemand, die hen weerhoudt,
13Mou pak stezku zkazili, k bídě mé přidali, ač jim to nic nepomůže.
14Als door een wijde bres rukken ze aan. Onder de puinhopen kwam ze aangerold
14Jako širokou mezerou vskakují, a k vyplénění mému valí se.
15Keerde zich tegen mij de verschrikking; Als een stormwind waaide mijn aanzien weg, Mijn geluk dreef voorbij als een wolk.
15Obrátily se na mne hrůzy, stihají jako vítr ochotnost mou, nebo jako oblak pomíjí zdraví mé.
16En thans stort zich mijn ziel in mij uit, Grijpen de dagen van rampspoed mij aan!
16A již ve mně rozlila se duše má, pochytili mne dnové trápení mého,
17Des nachts wordt mijn gebeente doorboord, En nemen mijn knagende pijnen geen rust;
17Kteréž v noci vrtá kosti mé ve mně; pročež ani nervové moji neodpočívají.
18Door het grote geweld is mijn vlees ontredderd, Het knelt mij als de kraag van mijn kleed.
18Oděv můj mění se pro násilnou moc bolesti, kteráž mne tak jako obojek sukně mé svírá.
19God heeft mij in de modder geworpen, Ik zie er uit als stof en as.
19Uvrhl mne do bláta, tak že jsem již podobný prachu a popelu.
20Ik roep tot U, maar Gij antwoordt niet; Ik sta overeind, maar Gij let niet op mij.
20Volám k tobě, ó Bože, a neslyšíš mne; postavuji se, ale nehledíš na mne.
21Gij zijt wreed tegen mij, Met uw krachtige hand bestookt Gij mij;
21Obrátils mi se v ukrutného nepřítele, silou ruky své mi odporuješ.
22Gij heft mij op, jaagt mij voort op de wind, Een noodweer lost mij in water op.
22Vznášíš mne u vítr, sázíš mne na něj, a k rozplynutí mi přivodíš zdravý soud.
23Ja, ik weet, Gij leidt mij ten dode, Naar de verzamelplaats van al wat leeft.
23Nebo vím, že mne k smrti odkážeš, a do domu, do něhož se shromažďuje všeliký živý.
24Maar steekt een drenkeling de hand niet uit, Roept men in zijn ellende niet om hulp?
24Jistě žeť nevztáhne Bůh do hrobu ruky, by pak, když je stírá, i volali.
25Heb ik zelf niet geweend over den zwaar beproefde, Was ik over den arme niet zielsbedroefd?
25Zdaliž jsem neplakal nad tím, kdož okoušel zlých dnů? Duše má kormoutila se nad nuzným.
26Ja, ik hoopte op geluk, maar het onheil kwam; Ik verwachtte het licht, maar het duister viel in.
26Když jsem dobrého čekal, přišlo mi zlé; nadál jsem se světla, ale přišla mrákota.
27Mijn binnenste kookt, en komt niet tot rust, Dagen van jammer treden mij tegen.
27Vnitřností mé zevřely, tak že se ještě neupokojily; předstihli mne dnové trápení.
28Zwart loop ik rond, maar niet van de zon; Sta ik op in de gemeente, ik roep om hulp!
28Chodím osmahlý, ne od slunce, povstávaje, i mezi mnohými křičím.
29Ik ben een broer van de jakhalzen, Een makker der struisen;
29Bratrem učiněn jsem draků, a tovaryšem mladých pstrosů.
30Mijn huid is zwart, en laat van mij los, Mijn beenderen branden van koorts;
30Kůže má zčernala na mně, a kosti mé vyprahly od horkosti.
31Mijn citer is voor rouwklacht gestemd, Mijn fluit voor geween!.
31A protož v kvílení obrátila se harfa má, a píšťalka má v hlas plačících.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.