Job 38
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Nu nam Jahweh het woord, en sprak tot Job in de storm:
1Tedy odpověděl Hospodin Jobovi z vichru, a řekl:
2Wie zijt gij, die de Voorzienigheid duister maakt Door woorden zonder verstand?
2Kdož jest to, jenž zatemňuje radu řečmi neumělými?
3Omgord uw lenden als een man, Ik zal u vragen stellen, gij moogt Mij leren!
3Přepaš nyní jako muž bedra svá, a nač se tebe tázati budu, oznam mi.
4Waar waart ge, toen Ik de aarde grondde: Vertel het, zo ge er iets van weet!
4Kdes byl, když jsem zakládal zemi? Pověz, jestliže máš rozum.
5Wie heeft haar grootte bepaald: gij weet het zo goed; Wie het meetsnoer over haar gespannen?
5Kdo rozměřil ji, víš-li? Aneb kdo vztáhl pravidlo na ni?
6Waarop zijn haar zuilen geplaatst, Of wie heeft haar hoeksteen gelegd:
6Na čem podstavkové její upevněni jsou? Aneb kdo založil úhelný kámen její,
7Onder het gejuich van het koor der morgensterren, Het jubelen van de zonen Gods?
7Když prozpěvovaly spolu hvězdy jitřní, a plésali všickni synové Boží?
8Wie heeft de zee achter deuren gesloten, Toen zij bruisend uit de moederschoot kwam;
8Aneb kdo zavřel jako dveřmi moře, když vyšlo z života, a zjevilo se?
9Toen Ik haar de wolken gaf als een kleed, De nevel als haar windsels;
9Když jsem mu položil oblak za oděv, a mrákotu místo plének jeho,
10Toen Ik haar grenzen heb gesteld, Slagboom en grendels haar gaf;
10Když jsem jemu uložil úsudek svůj, přistaviv závory a dvéře,
11Toen Ik sprak: Ge komt tot hier en niet verder, Hier wordt de trots van uw golven gebroken!
11I řekl jsem: Až potud vycházeti budeš, a dále nic, tu, pravím, skládati budeš dutí vlnobití svého.
12Hebt gij ooit in uw leven de morgen ontboden, De dageraad zijn plaats bestemd,
12Zdaž jsi kdy za dnů svých rozkázal jitru? Ukázal-lis záři jitřní místo její,
13Om de zomen der aarde te bezetten En er vlammen uit te schudden?
13Aby uchvacovala kraje země, a bezbožní aby z ní vymítáni byli?
14Zij flonkert als een kostbare zegelsteen, Wordt bontgeverfd als een kleed,
14Tak aby proměnu přijímala jako vosk pečetní, oni pak aby nedlouho stáli jako roucho,
15Totdat de stralen hun licht wordt ontnomen, Hun opgeheven arm wordt gebroken.
15A aby bezbožným zbraňováno bylo světla jejich, a rámě vyvýšené zlámáno bylo?
16Zijt ge doorgedrongen tot de bronnen der zee, Hebt ge de bodem van de Oceaan bewandeld;
16Přišel-lis až k hlubinám mořským? A u vnitřnosti propasti chodil-lis?
17Zijn u de poorten des doods getoond, De wachters der duisternis u verschenen;
17Jsou-li tobě zjeveny brány smrti? A brány stínu smrti viděl-lis?
18Hebt ge de breedten der aarde omvat: Zeg op, wanneer ge dit allemaal weet!
18Shlédl-lis širokosti země? Oznam, jestliže ji znáš všecku.
19Waar is de weg naar de woning van het licht, En waar heeft de duisternis haar verblijf,
19Která jest cesta k obydlí světla, a které místo temností,
20Zodat gij ze naar hun plaats kunt brengen, En hun de paden naar huis kunt leren?
20Že bys je pojal v meze jeho, poněvadž bys srozumíval stezkám domu jeho?
21Ge weet het toch, want toen werdt ge geboren, Het getal van uw jaren is immers zo groot!
21Věděl-lis tehdáž, že jsi měl se naroditi, a počet dnů tvých jak veliký býti má?
22Zijt ge doorgedrongen tot de schuren der sneeuw, Hebt ge de opslagplaatsen van de hagel aanschouwd,
22Přišel-lis až ku pokladům sněhu? A poklady krupobití viděl-lis,
23Die Ik heb opgespaard voor de tijd van benauwing, Voor de dag van aanval en strijd?
23Kteréž chovám k času ssoužení, ke dni bitvy a boje?
24Waar is de weg, waar de kou zich verspreidt, Waar de oostenwind over de aarde giert?
24Kterými se cestami rozděluje světlo, kteréž rozhání východní vítr po zemi?
25Wie heeft voor de stortvloed kanalen gegraven, En paden voor de donderwolken,
25Kdo rozdělil povodní tok, a cestu blýskání hromovému,
26Om regen te geven op onbewoond land, Op steppen, waar zich geen mens bevindt;
26Tak aby pršel déšť i na tu zemi, kdež není lidí, na poušť, kdež není člověka,
27Om woestijn en wildernis te verzadigen, Uit de dorre grond het gras te doen spruiten?
27Aby zapájel místa planá a pustá, a k zrůstu přivodil trávu mladistvou?
28Heeft de regen een vader, Of wie heeft de druppels van de dauw verwekt;
28Má-liž déšť otce? A kdo plodí krůpěje rosy?
29Uit wiens schoot is het ijs te voorschijn gekomen, Wie heeft het rijp in de lucht gebaard?
29Z čího života vychází mráz? A jíní nebeské kdo plodí?
30De wateren worden hard als steen, De vlakte van de Afgrond sluit zich aaneen!
30Až i vody jako v kámen se proměňují, a svrchek propasti zamrzá.
31Kunt gij de banden der Plejaden knopen, Of de boeien van de Orion slaken;
31Zdali zavázati můžeš rozkoše Kuřátek, aneb stahování Orionovo rozvázati?
32Kunt gij de maan op tijd naar buiten doen treden, Leidt gij de Beer met zijn jongen?
32Můžeš-li vyvoditi hvězdy polední v čas jistý, aneb Arktura s syny jeho povedeš-li?
33Schrijft gij de hemel de wetten voor, Stelt gij zijn macht over de aarde vast;
33Znáš-li řád nebes? Můžeš-li spravovati panování jejich na zemi?
34Verheft gij uw stem tot de wolken, Gehoorzaamt ù de watervloed?
34Můžeš-li pozdvihnouti k oblaku hlasu svého, aby hojnost vod přikryla tebe?
35Zendt gij de bliksems uit, en ze gaan; Zeggen ze tot u: Hier zijn we terug?
35Ty-liž vypustíš blýskání, aby vycházela? Zdaliž řeknou tobě: Aj teď jsme?
36Wie heeft inzicht aan den reiger gegeven Verstand geschonken aan den haan;
36Kdo složil u vnitřnostech lidských moudrost? Aneb kdo dal rozumu stižitelnost?
37Wie telt met wijsheid de wolken af, En giet de zakken van de hemel leeg:
37Kdo vypravovati bude o nebesích moudře? A láhvice nebeské kdo nastrojuje,
38Wanneer de bodem hard is als ijzer, De kluiten aan elkander kleven?
38Aby svlažená země zase stuhnouti mohla, a hrudy se v hromadě držely?
39Jaagt gij een prooi voor de leeuwin, Stilt gij de honger der welpen,
39Honíš-liž ty lvu loupež? A hltavost lvíčat naplňuješ-liž,
40Wanneer ze in hun holen liggen, Of loeren tussen de struiken?
40Když se stulují v peleších svých, ustavičně z skrýší čihajíce?
41Wie geeft ze tegen de avond haar buit, Wanneer haar jongen tot de Godheid roepen, En zonder voedsel rond blijven snuffelen, Op zoek naar spijs?
41Kdo připravuje krkavci pokrm jeho, když mladí jeho k Bohu silnému volají, a toulají se sem i tam pro nedostatek pokrmu?
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.