Job
Chapter 38
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Nu nam Jahweh het woord, en sprak tot Job in de storm:
1Озвався Господь до Йова з бурі й промовив:
2Wie zijt gij, die de Voorzienigheid duister maakt Door woorden zonder verstand?
2Хто сей, що затемнює задуми мої нерозумними словами?
3Omgord uw lenden als een man, Ik zal u vragen stellen, gij moogt Mij leren!
3Зараз підпережи чересла твої, як мужеві годиться: Я питати буду, ти ж відказуй менї:
4Waar waart ge, toen Ik de aarde grondde: Vertel het, zo ge er iets van weet!
4Де тодї був ти, коли я закладав основи землї? Скажи, коли знаєш!
5Wie heeft haar grootte bepaald: gij weet het zo goed; Wie het meetsnoer over haar gespannen?
5Хто визначив міру її, чи знаєш? або хто протягав шнур по нїй?
6Waarop zijn haar zuilen geplaatst, Of wie heeft haar hoeksteen gelegd:
6На чім оперто підвалини її, або хто заложив угловий камінь її,
7Onder het gejuich van het koor der morgensterren, Het jubelen van de zonen Gods?
7Як тим часом всї ранні зорі веселилися, і всї сини Божі викликували з радощів?
8Wie heeft de zee achter deuren gesloten, Toen zij bruisend uit de moederschoot kwam;
8Хто запер, мов би ворітьми море, як воно ринуло, та, неначе з матернього лона, вийшло,
9Toen Ik haar de wolken gaf als een kleed, De nevel als haar windsels;
9Як я зробив йому хмари одежою, а мряку пеленами його,
10Toen Ik haar grenzen heb gesteld, Slagboom en grendels haar gaf;
10Та вказав йому гряницї, поставив засови й ворота,
11Toen Ik sprak: Ge komt tot hier en niet verder, Hier wordt de trots van uw golven gebroken!
11І сказав: ось покіль доходити будеш, а далїй не перейдеш, і тут межа надутим филям твоїм?
12Hebt gij ooit in uw leven de morgen ontboden, De dageraad zijn plaats bestemd,
12Чи давав єси коли на віку твойму наказ ранкові, або вказав зорі місце, (де зачервонїти)
13Om de zomen der aarde te bezetten En er vlammen uit te schudden?
13Та щоб обхопила краї землї, а земля стрясла з себе безбожників;
14Zij flonkert als een kostbare zegelsteen, Wordt bontgeverfd als een kleed,
14Щоб земля перемінила вид свій, мов глина під печаткою, та стала, мов барвиста одежа,
15Totdat de stralen hun licht wordt ontnomen, Hun opgeheven arm wordt gebroken.
15А безбожникам щоб одняте було сьвітло, і сьмілива рука їх зломилась.
16Zijt ge doorgedrongen tot de bronnen der zee, Hebt ge de bodem van de Oceaan bewandeld;
16Чи то ти сходив у глибину морську та провірював безодню?
17Zijn u de poorten des doods getoond, De wachters der duisternis u verschenen;
17Чи ворота смертні тобі відчинялись, чи бачив ти двері темряви страшної?
18Hebt ge de breedten der aarde omvat: Zeg op, wanneer ge dit allemaal weet!
18Чи обняв ти оком сьвіт увесь широкий? Говори, коли все знаєш?
19Waar is de weg naar de woning van het licht, En waar heeft de duisternis haar verblijf,
19Куди дорога до пробутку сьвітла, й де місце темряви?
20Zodat gij ze naar hun plaats kunt brengen, En hun de paden naar huis kunt leren?
20А вже ж ти доходив до гряниць її й знаєш стежки до дому її.
21Ge weet het toch, want toen werdt ge geboren, Het getal van uw jaren is immers zo groot!
21Певно знаєш, бо ти був тодї вже народжений, й днїв життя твого дуже багато!
22Zijt ge doorgedrongen tot de schuren der sneeuw, Hebt ge de opslagplaatsen van de hagel aanschouwd,
22А може доходив до складів снїгу, й бачив грядові комори,
23Die Ik heb opgespaard voor de tijd van benauwing, Voor de dag van aanval en strijd?
23Що я їх переховую на час смутку, на день побою та війни (проти ледачих)?
24Waar is de weg, waar de kou zich verspreidt, Waar de oostenwind over de aarde giert?
24Якою дорогою розливаєсь сьвітло й шириться східний вітер по землї?
25Wie heeft voor de stortvloed kanalen gegraven, En paden voor de donderwolken,
25Хто дощу канали риє, й хто блискавицям путь указує та грому,
26Om regen te geven op onbewoond land, Op steppen, waar zich geen mens bevindt;
26Щоб ійшов дощ на землю безлюдну, на пустиню, де нема й чоловіка,
27Om woestijn en wildernis te verzadigen, Uit de dorre grond het gras te doen spruiten?
27Щоб насичував пустиню й степ, і розбуджував до росту зароди травні?
28Heeft de regen een vader, Of wie heeft de druppels van de dauw verwekt;
28Чи в доща є батько? Хто роджає краплї роси?
29Uit wiens schoot is het ijs te voorschijn gekomen, Wie heeft het rijp in de lucht gebaard?
29Із чиєго лоня виходить лід і иней в воздусї — хто його родить?
30De wateren worden hard als steen, De vlakte van de Afgrond sluit zich aaneen!
30Води, мов камінь тверднуть, і поверхня безоднї замерзає.
31Kunt gij de banden der Plejaden knopen, Of de boeien van de Orion slaken;
31Чи звязав би ти узол у Плеяди, чи розвязав би Орійона?
32Kunt gij de maan op tijd naar buiten doen treden, Leidt gij de Beer met zijn jongen?
32Чи повиводив би ти громаду зірниць у свій час, Ас-зірницю із дїтьми її?
33Schrijft gij de hemel de wetten voor, Stelt gij zijn macht over de aarde vast;
33Чи небесне знаєш право, чи можеш порядок його завести на землї?
34Verheft gij uw stem tot de wolken, Gehoorzaamt ù de watervloed?
34Чи можеш підняти голос твій до хмар, щоб рясний дощ спустився на тебе?
35Zendt gij de bliksems uit, en ze gaan; Zeggen ze tot u: Hier zijn we terug?
35Чи можеш ти розсилати блискавицї, та й чи прийдуть вони ʼд тобі й скажуть: Ось ми!
36Wie heeft inzicht aan den reiger gegeven Verstand geschonken aan den haan;
36Хто вложив мудрість у серце, й хто дав мисль розумові?
37Wie telt met wijsheid de wolken af, En giet de zakken van de hemel leeg:
37Хто може перелїчити хмари своєю мудрістю й здержати сей посуд піднебесний,
38Wanneer de bodem hard is als ijzer, De kluiten aan elkander kleven?
38Коли пил обертаєсь в болото, й в грудки злипаєсь?
39Jaagt gij een prooi voor de leeuwin, Stilt gij de honger der welpen,
39Не вже ж то ти ловиш левицї здобич і левчуків годуєш,
40Wanneer ze in hun holen liggen, Of loeren tussen de struiken?
40Як вони лежать в берлозї, або тихо в гущавинї засїдаються?
41Wie geeft ze tegen de avond haar buit, Wanneer haar jongen tot de Godheid roepen, En zonder voedsel rond blijven snuffelen, Op zoek naar spijs?
41А воронові хто готує харч його, коли дїти його пищать до Бога, блукаючи без поживи?

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.