Job 14
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1De mens, geboren uit een vrouw, Leeft korte tijd en vol ellende;
1З жінки родиться чоловік, і короткий вік свій у журбі проводить;
2Hij ontluikt en verwelkt als een bloem, Vliedt heen als een schaduw, en houdt geen stand:
2Квіткою він виходить та й поникає; тїнню пробігає й не зупиняєсь.
3En op zo een vestigt Gij uw oog, En daagt Gij voor uw gericht!
3І на такого ти отвираєш очі твої, і зовеш мене на суд із тобою?
4Kan een reine uit een onreine komen? Niet een!
4Хто з нечистого може чистим родитись? Анї один.
5Maarwanneer dus zijn dagen zijn vastgesteld, Het getal zijner maanden door U is bepaald, Gij hem zijn grens hebt gesteld, die hij niet overschrijdt:
5Коли ж йому днї визначені, й число місяцїв його в тебе, коли ти назначив йому гряницю, що її не переступить,
6Wend dan uw blik van Hem af, en laat hem met rust, Tot hij zijn dagtaak als een huurling volbracht heeft!
6То відступи від його, так, позирни куди геть, нехай він одпочине, покіль, як той поденщик, не скінчить дня свого.
7Ja, voor een boom is er hoop, als hij wordt omgehakt: Hij loopt weer uit, en zijn loten houden niet op.
7Дереву є хоч надїя, що воно, й зрубане, знов одродиться, й пагонцї з його одростати не перестануть;
8Al is ook zijn wortel in de bodem verouderd, Afgestorven zijn tronk in het stof:
8Та хоч його корінь в землї й перетрюхне й пень його завмре в поросї,
9Hij bot weer uit, zodra hij het water maar ruikt, Schiet takken als een jonge plant.
9Але, як тільки почує воду, воно пустить паростки й поросте галуззєм, наче б новопосаджене; —
10Maar sterft een mens, ontzield blijft hij liggen Geeft hij de geest, hij is er niet meer.
10А чоловік, як умре, розпадає ся; відойшов, і де він подївся?
11Zoals water wegvloeit uit de zee, De rivier leegloopt en uitdroogt:
11Води зникають із озера, й ріка посякає й висихає:
12Zo legt de mens zich neer, en staat niet meer op En wordt niet wakker uit zijn slaap. 14:12b Zolang de hemel bestaat, ontwaken zij niet!
12Так і людина ляже й не встане; покіль конець небесам, не пробудиться й не підоймесь із сну свого.
13Ach, als Gij mij in het dodenrijk mocht verschuilen, Mij verbergen, tot uw toorn is bedaard, Mij een tijdstip bepalen, en dan aan mij denken,
13О, коли б ти да сховав мене в преисподнїй і там держав мене, аж покіль гнїв твій перейде, й положив реченець, і спогадав знов про мене!
14Den mens na zijn dood deedt herleven: Dan zou ik al de dagen van mijn harde dienst blijven wachten, Tot mijn aflossing komt!
14Засне людина, та чи знов оживе ж коли небудь? Через усї днї визначеного менї часу дожидав би я, покіль прийшла б менї зміна.
15Hoe zou ik dan antwoorden, als Gij riept Als Gij het werk uwer handen verlangend kwaamt zoeken!
15Ти кликнув би, а я дав би відповідь тобі, й ти подав би ласку твору рук твоїх;
16Terwijl Gij thans mijn schreden telt, Zoudt Gij niet langer op mijn zonden meer loeren,
16Бо тодї ти лїчив би кроки мої, та не підстерігав би гріха мого;
17Maar in een buidel mijn overtreding verzegelen, En mijn fouten bedekken!
17Ти б запечатав тодї переступ мій, й провину мою закрив би.
18Maar zoals een berg ineenstort, Een rots van haar plaats wordt gerukt,
18Та як гора, падаючи, розсипається, й скала сходить з місця свого;
19Het water de stenen uitholt, Een stortregen de aardbodem wegspoelt: Zo slaat Gij de hoop der mensen de bodem in,
19Як вода стирає каміннє, а розлив її змиває пил земний, так і надїю людську ти в нїщо обертаєш.
20Gij slaat hem neer, hij gaat heen voor altijd; Gij verbleekt zijn gelaat, en zendt hem weg.
20Ти тїсниш його до кінця; змінюєш вид його й відсилаєш.
21Zijn zonen mogen worden geëerd: hij ziet het niet; Tot schande komen: hij bemerkt het niet.
21Честь його дїтям, чи нї, він того не знає, понижені вони — йому те байдуже;
22Slechts over zijn eigen lichaam voelt hij smart, Blijft over zijn eigen ziel in droefheid gedompeld!
22Та (покіль жив,) тїло його на йому болестї чує, а душа його в йому в страданнях сумує.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.