Job 14
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)
1De mens, geboren uit een vrouw, Leeft korte tijd en vol ellende;
1Nongpata mah tapen ih kami loe nawnetta hing nathung raihaih hoiah koi.
2Hij ontluikt en verwelkt als een bloem, Vliedt heen als een schaduw, en houdt geen stand:
2Anih loe apawk baktiah ampha tahang moe, azaem roep; tahlip baktiah cawnh, cak poe ai.
3En op zo een vestigt Gij uw oog, En daagt Gij voor uw gericht!
3To baktih hmuen pongah mik na padai moe, lokcaekhaih hmaa ah nang caeh haih han maw?
4Kan een reine uit een onreine komen? Niet een!
4Mi mah maw kaciim ai thung hoiah kaciim hmuen to sin thai tih? Mi mah doeh sin thai mak ai.
5Maarwanneer dus zijn dagen zijn vastgesteld, Het getal zijner maanden door U is bepaald, Gij hem zijn grens hebt gesteld, die hij niet overschrijdt:
5Kami ih aninawk to kroek moe, khrah nazetto maw oh pae vop, tiah na panoek pae pongah, anih mah poeng thai han ai ah ramri to na sak pae.
6Wend dan uw blik van Hem af, en laat hem met rust, Tot hij zijn dagtaak als een huurling volbracht heeft!
6Toksak han tlai ih kami baktiah, angmah ih aninawk boeng khoek to, angmah koeh ah oh hanah, anih to angqoi taak ah.
7Ja, voor een boom is er hoop, als hij wordt omgehakt: Hij loopt weer uit, en zijn loten houden niet op.
7Thing loe pakhruk cadoeh, tadok tacawt let ueloe, tanghang kangtha tacawt let tih, tiah oep han oh.
8Al is ook zijn wortel in de bodem verouderd, Afgestorven zijn tronk in het stof:
8Long thung ih tangzuun loe mitong boeh pongah, long ah akung dueh cadoeh,
9Hij bot weer uit, zodra hij het water maar ruikt, Schiet takken als een jonge plant.
9tui hmui hoiah tadok let ueloe, thingkung kanawk baktiah tanghang tacawt let tih.
10Maar sterft een mens, ontzield blijft hij liggen Geeft hij de geest, hij is er niet meer.
10Toe kami loe duek moe, qong ving; ue, a hinghaih boeng pacoengah loe naa ah maw om vop tih?
11Zoals water wegvloeit uit de zee, De rivier leegloopt en uitdroogt:
11Tuipui tui loe anghmat moe, vacong tui doeh kaang king baktih toengah,
12Zo legt de mens zich neer, en staat niet meer op En wordt niet wakker uit zijn slaap. 14:12b Zolang de hemel bestaat, ontwaken zij niet!
12kami loe angsong moe, angthawk let ai boeh; vannawk anghmaa ai karoek to anglawt mak ai, a iihhaih ahmuen hoi angthawk mak ai boeh.
13Ach, als Gij mij in het dodenrijk mocht verschuilen, Mij verbergen, tot uw toorn is bedaard, Mij een tijdstip bepalen, en dan aan mij denken,
13Aw taprong thungah na hawk ah, palung na phuihaih dip ai karoek to, tamquta hoi na hawk ah! Kai pahnet han ai ah, ka oh han ih atue to na khaek pae ah.
14Den mens na zijn dood deedt herleven: Dan zou ik al de dagen van mijn harde dienst blijven wachten, Tot mijn aflossing komt!
14Kami loe duek pacoengah hing let tih maw? Karai toksakhaih aninawk loe sawk parai cadoeh, kam khraihaih atue pha ai karoek to ka zing han.
15Hoe zou ik dan antwoorden, als Gij riept Als Gij het werk uwer handen verlangend kwaamt zoeken!
15Nang kawk naah, kang pathim pae han; na ban hoi sak ih hmuen to na koeh.
16Terwijl Gij thans mijn schreden telt, Zoudt Gij niet langer op mijn zonden meer loeren,
16Vaihi loe ka khok tangkannawk to na kroek moe, ka zaehaih to na khen ai boeh.
17Maar in een buidel mijn overtreding verzegelen, En mijn fouten bedekken!
17Ka sakpazaehaih loe pasah thungah catui ka daeng boeh moe, ka zaehaih nang kraeng pae hmoek boeh.
18Maar zoals een berg ineenstort, Een rots van haar plaats wordt gerukt,
18Tanim thaih mae loe anghmat boeh moe, lungsong doeh a ohhaih ahmuen hoiah angthuih ving boeh.
19Het water de stenen uitholt, Een stortregen de aardbodem wegspoelt: Zo slaat Gij de hoop der mensen de bodem in,
19Tuinawk mah thlung to maawtsak moe, tui tha mah long to takhawh baktih toengah, kami oephaih to nam rosak.
20Gij slaat hem neer, hij gaat heen voor altijd; Gij verbleekt zijn gelaat, en zendt hem weg.
20Kami to na pazawk poe, anih loe anghmat ving boeh; anih ih mikhmai to nam khraisak moe, kalah bangah na patoeh ving.
21Zijn zonen mogen worden geëerd: hij ziet het niet; Tot schande komen: hij bemerkt het niet.
21A capanawk mah pakoehhaih hnu o cadoeh, anih mah panoek ai boeh; nihcae atlim ah krah o cadoeh, anih mah panoek pae ai boeh.
22Slechts over zijn eigen lichaam voelt hij smart, Blijft over zijn eigen ziel in droefheid gedompeld!
22Toe anih ih ngan to naa ueloe, a hinghaih palungsae tih, tiah a naa.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.