Job 7
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Heeft de mens niet een krijgsdienst op aarde, Gelijken zijn dagen niet op die van een knecht?
1Чи ж не обмежений час чоловікові на землї, а днї (життя) його чи ж не те саме, що днї поденного наймита?
2Zoals een slaaf, die naar de schaduw verlangt, Zoals een knecht, die op zijn loon staat te wachten:
2Так, як той раб холодку, а поденьщик жде кінця роботи,
3Zo werden maanden van ellende mijn deel, En nachten van lijden mijn lot;
3Так і менї допались місяцї без відпочивку, а ночі горя видїлені менї.
4Ga ik slapen, dan denk ik: wanneer wordt het dag, Als ik opsta: wanneer wordt het avond? Maar de avond blijft zich eindeloos rekken, En ik blijf vol onrust tot aan de morgen;
4Коли лягаю, питаюсь: коли ж то я встану? а вечір тягнеся поволи, й я обертаюсь без кінця, аж засвитає.
5Mijn vlees is met maden en korsten bedekt, Mijn huid splijt open en draagt;
5Тїло обвили червяки та струпи, мов кора земляна; шкіра на менї ріпава, та й береться все гноєм.
6Mijn dagen zijn sneller dan een weversspoel, En lopen af, bij gebrek aan draad.
6Днї мої летять швидше судна, а конець їх безнадїйний.
7Bedenk, dat mijn leven een ademtocht is, Dat mijn oog nooit meer het geluk zal aanschouwen;
7Згадай (Боже), що життє моє — подув (вітру), а око моє не вернесь, побачити добро.
8Dat het oog van hem, die mij ziet, mij niet meer zal speuren, En wanneer gij uw blik op mij richt, ik er niet meer zal zijn.
8Не побачить мене око того, що видїв мене; та й твої очі (звернуться) на мене, — а мене нема.
9Zoals een wolk vervliegt en verdwijnt, Zo stijgt, die in het dodenrijk daalt, er niet meer uit op;
9Рідшає хмара й зникає; так і той, що зступив у глибоку яму, вже не вийде,
10Hij keert naar zijn huis niet meer terug, En zijn eigen woonplaats kent hem niet langer!
10Не вернеться вже в домівку свою, і місце його не знати ме вже його.
11En daarom zal ik mijn mond niet snoeren, Maar spreken in de benauwdheid van mijn geest, En klagen in de bitterheid van mijn ziel: Gij dwingt mij er toe!
11Тим же то я не стану здержувати уст моїх; говорити му в тїснотї духа мого; буду жалуватись у горю душі моєї.
12Ik ben toch geen zee, of geen monster der zee Dat gij mij een slot oplegt!
12Чи то ж я море або потвора морська, що ти проти мене сторожу (запору) поставив?
13Wanneer ik denk: mijn bed brengt mij troost, Mijn sponde zal mijn zuchten verlichten:
13Думаю часом таке: втїшить мене постеля моя, ложе моє поможе менї, горе моє перетерпіти;
14Dan gaat Gij mij door dromen verschrikken, En jaagt mij door visioenen ontsteltenis aan;
14Та бо ти жахаєш мене снами, й видивами лякаєш мене,
15Zodat ik nog liever word gewurgd, En de dood boven mijn smarten verkies.
15Так, що душа моя бажає лїпше перериву дихання, лїпше смертї, нїж удержання костей моїх.
16Ik verdwijn, ik blijf niet altijd in leven, Laat mij met rust, want mijn dagen zijn enkel een zucht!
16Омерзїло менї життє. Чи ж вічно жити менї? Відступи від мене, — та ж днї мої, се марнота!
17Wat is de mens, dat Gij zoveel belang in hem stelt, En hem uw aandacht blijft wijden;
17Що ж бо таке чоловік, що його так цїнуєш, та звертаєш на його ввагу твою,
18Dat Gij morgen aan morgen hem nagaat, En hem elk ogenblik toetst?
18Та що-ранку звідуєшся до його, й що хвилинки вивідуєш його?
19Wanneer wendt Gij eindelijk eens uw oog van mij af, En laat Gij mij tijd, om mijn speeksel te slikken?
19Докіль же не полишиш, докіль не відойдеш від мене, докіль і слини менї не даси проковтнути (спокійно)?
20Heb ik gezondigd: wat deed ik U, Gij Mensenbewaker! Waarom hebt Gij mij tot uw mikpunt gemaakt, En ben ik U maar tot last;
20А коли я провинив, то що вчиню тобі, ти наглядниче людей! Чому вчинив єси мене таким мерзенним собі, так що й я самий став тягарем собі?
21Waarom niet liever mijn zonde vergeven, En mijn misdaad vergeten? Want weldra lig ik neer in het stof: Dan kunt Gij me zoeken, maar ik ben er niet meer!
21Та й чому ж би не простити гріха менї й не зняти з мене проступку мого? та ж от, я ляжу в землю, а завтра, хоч би ти й шукав мене, мене вже не буде.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.