Job 41
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Vangt gij den Krokodil met de angel, Bindt ge hem de tong met koorden vast;
1Марна се була б надїя, (його спіймати); тільки спогляне на тебе, так і помертвієш.
2Steekt ge hem een stok door de neus, Haalt ge een ring door zijn kaken;
2Нема такого відважного, хто б посьмів непокоїти його, (хиба тільки я, бо) хто може остоятись перед лицем моїм?
3Zal hij heel veel tot u smeken, Of lieve woordjes tot u richten?
3Хто менї що дав уперед, щоб я мав віддавати йому? все що є скрізь під небом, все воно моє!
4Zal hij een contract met u sluiten, En neemt ge hem voorgoed in uw dienst;
4Не замовчу й про члени його, про силу й красну будову його!
5Kunt ge met hem als met een vogeltje spelen, Bindt ge hem voor uw dochtertjes vast;
5Хто зможе зняти верхню одежу з його, або хто наближиться до подвійних челюстий його?
6Kunnen uw makkers hem verhandelen, En onder de venters verdelen?
6Хто ворота в його в пелцї відчинив би? Круг зубів його — страх-трепет, кругом зубів його страх!
7Kunt ge zijn huid met spiesen beplanten, Zijn kop met een vissersharpoen?
7Крепкі щити (тїло) його — се красота: вони сковані до купи лускою, неначе печаткою твердою;
8Probeer eens, de hand op hem te leggen, Maar denk aan de strijd; ge doet het zeker niet weer,
8Одна до одної прилягає так тїсно, що не пройде й воздух проміж них;
9Want uw hoop komt vast bedrogen uit! Reeds bij zijn aanblik wordt men neergeslagen
9Одна на другій лежить щільно, щеплені й не розлїплюються.
10Er is niemand vermetel genoeg, hem te wekken. Wie houdt voor hem stand,
10Чхне він — аж заблисне, а очі в його, мов війки в ранньої зорі;
11Wie treedt tegen hem op, en blijft ongedeerd: Onder de ganse hemel Is er niet één!
11З пельки в його виходять, неначе поломє, вискакують огняні искри.
12Ik wil niet zwijgen over zijn leden, Maar spreken over zijn nooit geëvenaarde kracht.
12З ніздер дим димить, як із кипячого горшка або казана.
13Wie heeft ooit zijn kleed opgelicht, Is doorgedrongen tussen zijn dubbel kuras?
13Подихом він роздуває (мов) у кузнї вуголь, а з пащі в його виходить поломє.
14Wie opent de dubbele deur van zijn muil; Rondom zijn tanden verschrikking!
14Сила ж в його в шиї, а вперід його страх.
15Zijn rug is als rijen van schilden, Die als een muur van steen hem omsluiten
15Все мясне в його тїлї, мов злите з собою твердо, (від нїчого) не дрогне.
16Het een ligt vlak naast het ander, Geen tocht kan er door;
16Серце в його тверде, наче камінь, збите в купу, мов спід у жорнах.
17Ze grijpen aan elkander vast, En sluiten onscheidbaar aaneen.
17Як метнеться він, невміраки в страсї, зомлївають із переляку.
18Door zijn niezen danst het licht, Zijn ogen zijn als de wimpers van het morgenrood;
18Меч, що вдарить його, одскочить, не вдїє нїчо нї спис, нї стріли нї панцир.
19Uit zijn muil steken toortsen, En schieten vuurvonken uit;
19Залїзо йому — солома, мідь — трюхле дерево.
20Er stijgt rook uit zijn neusgaten op, Als uit een dampende en ziedende ketel.
20Дочка (стріла) лука не оберне його до втечі, а каміннє з пращі — се йому полова.
21Zijn adem zet kolen in vuur, Uit zijn bek stijgen vlammen omhoog;
21Друк — у його бадиллє, а як свисне дарда, він осьміхнеться.
22In zijn nek zetelt kracht, Ontsteltenis danst voor hem uit;
22Каменюки під ним гострі, а він лежить на зубъї в грязї.
23Zijn vleeskwabben sluiten stevig aaneen, Onbeweeglijk aan hem vastgegoten;
23Глибиня кипить під ним, мов у казанї, а вода морська — неначе кипуче мастило.
24Zijn hart is vast als een kei, Hecht als een onderste molensteen:
24За собою стежку сьвітлу (в водї) зоставляє; глибінь (від піни), як би посивіла.
25Voor zijn majesteit sidderen de baren Trekken de golven der zee zich terug.
25Рівнї він на землї не має; він сотворений, щоби не боятись.
26Het zwaard, dat hem treft, is er niet tegen bestand, Geen lans, geen speer en geen schicht.
26Згорда вниз на все високе він позирає; усїм гордим він гордує й над ним царює.
27Hij rekent het ijzer voor stro, Voor vermolmd hout het koper;
no verse 27 in this text
28Geen pijlen jagen hem op de vlucht, Slingerstenen zijn hem maar kaf;
no verse 28 in this text
29Een werpspies schijnt hem een riet, Hij lacht om het suizen der knots.
no verse 29 in this text
30Onder zijn buik zitten puntige scherven, Als een dorsslee krabt hij ermee op het slijk;
no verse 30 in this text
31Hij doet de afgrond koken als een ketel, Verandert de zee in een wierookpan;
no verse 31 in this text
32Achter hem aan een lichtend spoor, Als had de afgrond zilveren lokken.
no verse 32 in this text
33Zijns gelijke is er op aarde niet; Geschapen, om niemand te vrezen;
no verse 33 in this text
34Op al wat trots is, ziet hij neer, Hij is koning over alle verscheurende beesten!
no verse 34 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.