Job 41
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1Vangt gij den Krokodil met de angel, Bindt ge hem de tong met koorden vast;
1[40:25] Kannst du den Leviathan ziehen mit dem Haken und seine Zunge mit einer Schnur fassen?
2Steekt ge hem een stok door de neus, Haalt ge een ring door zijn kaken;
2[40:26] Kannst du ihm eine Angel in die Nase legen und mit einem Stachel ihm die Backen durchbohren?
3Zal hij heel veel tot u smeken, Of lieve woordjes tot u richten?
3[40:27] Meinst du, er werde dir viel Flehens machen oder dir heucheln?
4Zal hij een contract met u sluiten, En neemt ge hem voorgoed in uw dienst;
4[40:28] Meinst du, daß er einen Bund mit dir machen werde, daß du ihn immer zum Knecht habest?
5Kunt ge met hem als met een vogeltje spelen, Bindt ge hem voor uw dochtertjes vast;
5[40:29] Kannst du mit ihm spielen wie mit einem Vogel oder ihn für deine Dirnen anbinden?
6Kunnen uw makkers hem verhandelen, En onder de venters verdelen?
6[40:30] Meinst du die Genossen werden ihn zerschneiden, daß er unter die Kaufleute zerteilt wird?
7Kunt ge zijn huid met spiesen beplanten, Zijn kop met een vissersharpoen?
7[40:31] Kannst du mit Spießen füllen seine Haut und mit Fischerhaken seinen Kopf?
8Probeer eens, de hand op hem te leggen, Maar denk aan de strijd; ge doet het zeker niet weer,
8[40:32] Wenn du deine Hand an ihn legst, so gedenke, daß es ein Streit ist, den du nicht ausführen wirst.
9Want uw hoop komt vast bedrogen uit! Reeds bij zijn aanblik wordt men neergeslagen
9[40:1] Siehe, die Hoffnung wird jedem fehlen; schon wenn er seiner ansichtig wird, stürzt er zu Boden.
10Er is niemand vermetel genoeg, hem te wekken. Wie houdt voor hem stand,
10[41:2] Niemand ist so kühn, daß er ihn reizen darf; wer ist denn, der vor mir stehen könnte?
11Wie treedt tegen hem op, en blijft ongedeerd: Onder de ganse hemel Is er niet één!
11[41:3] Wer hat mir etwas zuvor getan, daß ich's ihm vergelte? Es ist mein, was unter allen Himmeln ist.
12Ik wil niet zwijgen over zijn leden, Maar spreken over zijn nooit geëvenaarde kracht.
12[41:4] Dazu muß ich nun sagen, wie groß, wie mächtig und wohlgeschaffen er ist.
13Wie heeft ooit zijn kleed opgelicht, Is doorgedrongen tussen zijn dubbel kuras?
13[41:5] Wer kann ihm sein Kleid aufdecken? und wer darf es wagen, ihm zwischen die Zähne zu greifen?
14Wie opent de dubbele deur van zijn muil; Rondom zijn tanden verschrikking!
14[41:6] Wer kann die Kinnbacken seines Antlitzes auftun? Schrecklich stehen seine Zähne umher.
15Zijn rug is als rijen van schilden, Die als een muur van steen hem omsluiten
15[41:7] Seine stolzen Schuppen sind wie feste Schilde, fest und eng ineinander.
16Het een ligt vlak naast het ander, Geen tocht kan er door;
16[41:8] Eine rührt an die andere, daß nicht ein Lüftlein dazwischengeht.
17Ze grijpen aan elkander vast, En sluiten onscheidbaar aaneen.
17[41:9] Es hängt eine an der andern, und halten zusammen, daß sie sich nicht voneinander trennen.
18Door zijn niezen danst het licht, Zijn ogen zijn als de wimpers van het morgenrood;
18[41:10] Sein Niesen glänzt wie ein Licht; seine Augen sind wie die Wimpern der Morgenröte.
19Uit zijn muil steken toortsen, En schieten vuurvonken uit;
19[41:11] Aus seinem Munde fahren Fackeln, und feurige Funken schießen heraus.
20Er stijgt rook uit zijn neusgaten op, Als uit een dampende en ziedende ketel.
20[41:12] Aus seiner Nase geht Rauch wie von heißen Töpfen und Kesseln.
21Zijn adem zet kolen in vuur, Uit zijn bek stijgen vlammen omhoog;
21[41:13] Sein Odem ist wie eine lichte Lohe, und aus seinem Munde gehen Flammen.
22In zijn nek zetelt kracht, Ontsteltenis danst voor hem uit;
22[41:14] Auf seinem Hals wohnt die Stärke, und vor ihm her hüpft die Angst.
23Zijn vleeskwabben sluiten stevig aaneen, Onbeweeglijk aan hem vastgegoten;
23[41:15] Die Gliedmaßen seines Fleisches hangen aneinander und halten hart an ihm, daß er nicht zerfallen kann.
24Zijn hart is vast als een kei, Hecht als een onderste molensteen:
24[41:16] Sein Herz ist so hart wie ein Stein und so fest wie ein unterer Mühlstein.
25Voor zijn majesteit sidderen de baren Trekken de golven der zee zich terug.
25[41:17] Wenn er sich erhebt, so entsetzen sich die Starken; und wenn er daherbricht, so ist keine Gnade da.
26Het zwaard, dat hem treft, is er niet tegen bestand, Geen lans, geen speer en geen schicht.
26[41:18] Wenn man zu ihm will mit dem Schwert, so regt er sich nicht, oder mit Spieß, Geschoß und Panzer.
27Hij rekent het ijzer voor stro, Voor vermolmd hout het koper;
27[41:19] Er achtet Eisen wie Stroh, und Erz wie faules Holz.
28Geen pijlen jagen hem op de vlucht, Slingerstenen zijn hem maar kaf;
28[41:20] Kein Pfeil wird ihn verjagen; die Schleudersteine sind ihm wie Stoppeln.
29Een werpspies schijnt hem een riet, Hij lacht om het suizen der knots.
29[41:21] Die Keule achtet er wie Stoppeln; er spottet der bebenden Lanze.
30Onder zijn buik zitten puntige scherven, Als een dorsslee krabt hij ermee op het slijk;
30[41:22] Unten an ihm sind scharfe Scherben; er fährt wie mit einem Dreschwagen über den Schlamm.
31Hij doet de afgrond koken als een ketel, Verandert de zee in een wierookpan;
31[41:23] Er macht, daß der tiefe See siedet wie ein Topf, und rührt ihn ineinander, wie man eine Salbe mengt.
32Achter hem aan een lichtend spoor, Als had de afgrond zilveren lokken.
32[41:24] Nach ihm leuchtet der Weg; er macht die Tiefe ganz grau.
33Zijns gelijke is er op aarde niet; Geschapen, om niemand te vrezen;
33[41:25] Auf Erden ist seinesgleichen niemand; er ist gemacht, ohne Furcht zu sein.
34Op al wat trots is, ziet hij neer, Hij is koning over alle verscheurende beesten!
34[41:26] Er verachtet alles, was hoch ist; er ist ein König über alles stolze Wild.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.