Job 9
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1Job antwoordde, en sprak:
1Hiob antwortete und sprach:
2Zeker, ik weet wel, dat het zo is; Maar hoe kan een mens tegenover God in zijn recht zijn?
2Ja, ich weiß gar wohl, daß es also ist und daß ein Mensch nicht recht behalten mag gegen Gott.
3Wanneer hij Hem ter verantwoording wil roepen, Geeft Hij niet eens op de duizendmaal antwoord;
3Hat er Lust, mit ihm zu hadern, so kann er ihm auf tausend nicht eins antworten.
4Wie heeft den Alwijze en den Almachtige Ooit ongedeerd getrotseerd?
4Er ist weise und mächtig; wem ist's je gelungen, der sich wider ihn gelegt hat?
5Hem, die bergen verzet, en ze merken het niet, Ze onderstboven keert in zijn toorn;
5Er versetzt Berge, ehe sie es innewerden, die er in seinem Zorn umkehrt.
6Die de aarde op haar plaats doet schudden, Haar zuilen trillen ervan;
6Er bewegt die Erde aus ihrem Ort, daß ihre Pfeiler zittern.
7Die de zon bevel geeft, niet te stralen, En de sterren onder een zegel legt!
7Er spricht zur Sonne, so geht sie nicht auf, und versiegelt die Sterne.
8Die de hemel uitspant, Hij alleen, En voortschrijdt over de golven der zee;
8Er breitet den Himmel aus allein und geht auf den Wogen des Meeres.
9Die Grote Beer en Orion schiep, Plejaden en het Zuiderkruis;
9Er macht den Wagen am Himmel und Orion und die Plejaden und die Sterne gegen Mittag.
10Die grootse, ondoorgrondelijke dingen wrocht, En talloze wonderen!
10Er tut große Dinge, die nicht zu erforschen sind, und Wunder, deren keine Zahl ist.
11Zie, Hij gaat mij voorbij, en ik zie het niet, Hij glijdt langs mij heen, ik bemerk het niet;
11Siehe, er geht an mir vorüber, ehe ich's gewahr werde, und wandelt vorbei, ehe ich's merke.
12Rooft Hij: Wie zal Hem weerhouden? Wie Hem zeggen: Wat doet Gij?
12Siehe, wenn er hinreißt, wer will ihm wehren? Wer will zu ihm sagen: Was machst du?
13God, die zijn gramschap niet weerhoudt: Zelfs Ráhabs helpers moesten zich onder Hem krommen!
13Er ist Gott; seinen Zorn kann niemand stillen; unter ihn mußten sich beugen die Helfer Rahabs.
14Hoe zou ik Hem dan ter verantwoording roepen, Mijn woorden tegenover Hem vinden?
14Wie sollte ich denn ihm antworten und Worte finden gegen ihn?
15Ik, die geen antwoord krijg, al heb ik ook recht, Maar mijn Rechter om genade moet smeken;
15Wenn ich auch recht habe, kann ich ihm dennoch nicht antworten, sondern ich müßte um mein Recht flehen.
16En al gaf Hij mij antwoord, als ik riep, Dan geloof ik niet, dat Hij naar mij zou luisteren.
16Wenn ich ihn schon anrufe, und er mir antwortet, so glaube ich doch nicht, daß er meine Stimme höre.
17Hij, die mij vertrapt om een kleinigheid En mijn smarten vermeerdert om niet;
17Denn er fährt über mich mit Ungestüm und macht mir Wunden viel ohne Ursache.
18Hij, die mij niet op adem laat komen, Maar mij met bitter wee overstelpt.
18Er läßt meinen Geist sich nicht erquicken, sondern macht mich voll Betrübnis.
19Gaat het om kracht: Hij is er, de Sterke! Gaat het om recht: Wie klaagt Hem aan?
19Will man Macht, so ist er zu mächtig; will man Recht, wer will mein Zeuge sein?
20Al had ik ook recht, zijn mond veroordeelde mij; Al was ik onschuldig, Hij verklaarde mij schuldig!
20Sage ich, daß ich gerecht bin, so verdammt er mich doch; bin ich Unschuldig, so macht er mich doch zu Unrecht.
21Ben ik onschuldig? Ik weet het zelf nu niet meer. Ik verfoei mijn bestaan: Het is mij allemaal één!
21Ich bin unschuldig! ich frage nicht nach meiner Seele, begehre keines Lebens mehr.
22Maar daarom roep ik het uit: Onschuldigen en schuldigen slaat Hij neer!
22Es ist eins, darum sage ich: Er bringt um beide, den Frommen und den Gottlosen.
23Wanneer zijn gesel plotseling doodt, Lacht Hij met de vertwijfeling van de onschuldigen;
23Wenn er anhebt zu geißeln, so dringt er alsbald zum Tod und spottet der Anfechtung der Unschuldigen.
24Is het land aan bozen overgeleverd, Hij bindt nog een blinddoek op het gelaat van de rechters: Want zo Hij het niet doet, Wie doet het dan wel?
24Das Land aber wird gegeben unter die Hand der Gottlosen, und der Richter Antlitz verhüllt er. Ist's nicht also, wer anders sollte es tun?
25Zo vliegen mijn dagen voorbij, Sneller nog dan een ijlbode; Zo vluchten ze weg, Zonder geluk te aanschouwen;
25Meine Tage sind schneller gewesen denn ein Läufer; sie sind geflohen und haben nichts Gutes erlebt.
26Ze schieten heen als schepen van riet, Als een adelaar, die zich werpt op zijn prooi.
26Sie sind dahingefahren wie die Rohrschiffe, wie ein Adler fliegt zur Speise.
27Denk ik, ik wil mijn jammer vergeten, Weer vrolijk schijnen en blij,
27Wenn ich gedenke: Ich will meiner Klage vergessen und meine Gebärde lassen fahren und mich erquicken,
28Dan ben ik weer bang voor al mijn smarten, Wetend, dat Gij mij niet voor onschuldig houdt.
28so fürchte ich alle meine Schmerzen, weil ich weiß, daß du mich nicht unschuldig sein lässest.
29En wanneer ik dan toch schuldig moet zijn, Waarom doe ik mijn best, om niet?
29Ich muß ja doch ein Gottloser sein; warum mühe ich mich denn so vergeblich?
30Al was ik mij nog zo schoon met sneeuw, En reinig mijn handen met zeep,
30Wenn ich mich gleich mit Schneewasser wüsche und reinigte mein Hände mit Lauge,
31Toch ploft Gij mij neer in het vuil, Zodat mijn kleren van mij walgen.
31so wirst du mich doch tauchen in Kot, und so werden mir meine Kleider greulich anstehen.
32Neen, Gij zijt geen mens, zoals ik, dien ik ter verantwoording roep, Zodat wij te zamen voor de rechtbank verschijnen!
32Denn er ist nicht meinesgleichen, dem ich antworten könnte, daß wir vor Gericht miteinander kämen.
33Ach, mocht er een scheidsrechter tussen ons zijn, Die zijn hand op ons beiden kon leggen;
33Es ist zwischen uns kein Schiedsmann, der seine Hand auf uns beide lege.
34Die Gods roede van mij weg zou nemen, Zodat de schrik voor Hem mij niet deerde:
34Er nehme von mir seine Rute und lasse seinen Schrecken von mir,
35Dan zou ik spreken zonder Hem te vrezen; Maar nu er geen is, neem ik het op voor mijzelf!
35daß ich möge reden und mich nicht vor ihm fürchten dürfe; denn ich weiß, daß ich kein solcher bin.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.