Job 10
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1Ik walg nu toch van het leven, En laat dus de vrije loop aan mijn klagen; Ik spreek in de bitterheid van mijn ziel,
1Meine Seele verdrießt mein Leben; ich will meiner Klage bei mir ihren Lauf lassen und reden in der Betrübnis meiner Seele
2En zeg tot God: Behandel mij niet als een schuldige; Laat mij weten, waarom Gij tegen mij strijdt!
2und zu Gott sagen: Verdamme mich nicht! laß mich wissen, warum du mit mir haderst.
3Brengt het U voordeel, dat Gij verdrukt, Dat Gij het werk uwer handen verwerpt, Maar de plannen der bozen begunstigt?
3Gefällt dir's, daß du Gewalt tust und mich verwirfst, den deine Hände gemacht haben, und bringst der Gottlosen Vornehmen zu Ehren?
4Hebt Gij ogen van vlees, Ziet Gij, zoals mensen dat doen;
4Hast du denn auch fleischliche Augen, oder siehst du, wie ein Mensch sieht?
5Zijn uw dagen als die van een sterveling, Uw jaren als de levensduur van een mens:
5Oder ist deine Zeit wie eines Menschen Zeit, oder deine Jahre wie eines Mannes Jahre?
6Dat Gij op zoek zijt naar mijn schuld, En naar mijn zonden blijft vorsen,
6daß du nach einer Missetat fragest und suchest meine Sünde,
7Ofschoon Gij weet, dat ik niet schuldig ben, En niemand mij uit uw hand kan redden?
7so du doch weißt wie ich nicht gottlos sei, so doch niemand ist, der aus deiner Hand erretten könne.
8Uw eigen handen hebben mij gevormd en gewrocht, En nu zoudt Gij me weer gaan vernielen?
8Deine Hände haben mich bereitet und gemacht alles, was ich um und um bin; und du wolltest mich verderben?
9Bedenk toch, dat Gij mij als leem hebt gekneed: En Gij voert mij terug naar het stof?
9Gedenke doch, daß du mich aus Lehm gemacht hast; und wirst mich wieder zu Erde machen?
10Hebt Gij me niet als melk laten vloeien, En als kaas laten stremmen;
10Hast du mich nicht wie Milch hingegossen und wie Käse lassen gerinnen?
11Mij niet bekleed met huid en met vlees, Met beenderen en spieren samengeweven?
11Du hast mir Haut und Fleisch angezogen; mit Gebeinen und Adern hast du mich zusammengefügt.
12In uw goedheid hebt Gij mij het leven geschonken Uw zorg heeft mijn adem bewaakt,
12Leben und Wohltat hast du an mir getan, und dein Aufsehen bewahrt meinen Odem.
13Maar dit was uw heimelijke toeleg daarbij, Ik weet, dat Gij dit hadt besloten:
13Aber dies verbargst du in deinem Herzen, ich weiß, daß du solches im Sinn hattest:
14Als ik zondigde, mij in het oog te houden, En mij mijn misdaad niet te vergeven;
14wenn ich sündigte, so wolltest du es bald merken und meine Missetat nicht ungestraft lassen.
15Was ik schuldig: Wee mij! En was ik onschuldig, Toch zou ik mijn hoofd niet mogen verheffen, Zat van smaad en gedrenkt met ellende!
15Bin ich gottlos, dann wehe mir! bin ich gerecht, so darf ich doch mein Haupt nicht aufheben, als der ich voll Schmach bin und sehe mein Elend.
16Hief ik het op, Gij zoudt jacht op mij maken, als een luipaard, Mij telkens uw wondere macht laten voelen,
16Und wenn ich es aufrichte, so jagst du mich wie ein Löwe und handelst wiederum wunderbar an mir.
17Uw vijandschap jegens mij weer vernieuwen; Gij zoudt uw toorn op mij nog verdubbelen, Gij riept troepen en legers tegen mij op!
17Du erneuest deine Zeugen wider mich und machst deines Zornes viel auf mich; es zerplagt mich eins über das andere in Haufen.
18Waarom hebt Gij mij dan uit de schoot laten komen, Gaf ik de geest niet, eer een oog mij aanschouwde?
18Warum hast du mich aus Mutterleib kommen lassen? Ach, daß ich wäre umgekommen und mich nie ein Auge gesehen hätte!
19Dan was ik nu, als had ik nimmer bestaan, En was van de schoot naar het graf gedragen.
19So wäre ich, als die nie gewesen sind, von Mutterleibe zum Grabe gebracht.
20Ach, mijn levensdagen zijn maar gering, Laat mij met rust, dat ik een weinig vreugde beleef,
20Ist denn mein Leben nicht kurz? So höre er auf und lasse ab von mir, daß ich ein wenig erquickt werde,
21Eer ik heenga, vanwaar ik niet terugkom, Naar het land van duisternis en schaduw des doods;
21ehe ich denn hingehe und komme nicht wieder, ins Land der Finsternis und des Dunkels,
22Naar het sombere land, waar wanorde heerst, De dag als een stikdonkere nacht!
22ins Land da es stockfinster ist und da keine Ordnung ist, und wenn's hell wird, so ist es wie Finsternis.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.