Job 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1Elifaz van Teman nam het woord, en sprak:
1Da antwortete Eliphas von Theman und sprach:
2Zullen wij het woord tot u richten, tot u, zo verslagen? Maar wie zou zijn woorden kunnen bedwingen?
2Du hast's vielleicht nicht gern, so man versucht, mit dir zu reden; aber wer kann sich's enthalten?
3Zie, zelf hebt ge velen terecht gewezen, En slappe handen gesterkt;
3Siehe, du hast viele unterwiesen und lässige Hände gestärkt;
4Uw woorden hebben struikelenden opgericht, Knikkende knieën hebt ge spierkracht verleend:
4deine Rede hat die Gefallenen aufgerichtet, und die bebenden Kniee hast du gekräftigt.
5Maar nu het ú overkomt, nu zijt ge verslagen, Nu het ú treft, verbijsterd!
5Nun aber es an dich kommt, wirst du weich; und nun es dich trifft, erschrickst du.
6Was dan uw vroomheid niet uw hoop, Uw onberispelijke wandel niet uw vertrouwen?
6Ist nicht deine Gottesfurcht dein Trost, deine Hoffnung die Unsträflichkeit deiner Wege?
7Denk eens na: wie kwam ooit onschuldig om, Of waar ter wereld werden rechtvaardigen verdelgd?
7Gedenke doch, wo ist ein Unschuldiger umgekommen? oder wo sind die Gerechten je vertilgt?
8Ik heb altijd gezien: Die onheil ploegen En rampspoed zaaien, die oogsten ze ook!
8Wie ich wohl gesehen habe: die da Mühe pflügen und Unglück säten, ernteten es auch ein;
9Door Gods adem gaan ze te gronde, Door zijn ziedende gramschap komen ze om:
9durch den Odem Gottes sind sie umgekommen und vom Geist seines Zorns vertilgt.
10Het gebrul van den leeuw en het gehuil van den luipaard verstomt. De tanden der leeuwenwelpen worden stuk gebroken;
10Das Brüllen der Löwen und die Stimme der großen Löwen und die Zähne der jungen Löwen sind zerbrochen.
11De leeuwin komt om bij gebrek aan prooi, De jongen van de leeuwinnen worden uiteen gejaagd!
11Der Löwe ist umgekommen, daß er nicht mehr raubt, und die Jungen der Löwin sind zerstreut.
12Eens drong een woord in het diepste geheim tot mij door En mijn oor ving er het gefluister van op.
12Und zu mir ist gekommen ein heimlich Wort, und mein Ohr hat ein Wörtlein davon empfangen.
13Het was in een nachtgezicht, uit dromen geboren, Wanneer een diepe slaap de mensen bevangt:
13Da ich Gesichte betrachtete in der Nacht, wenn der Schlaf auf die Leute fällt,
14Schrik en siddering grepen mij aan, En al mijn beenderen rilden van angst;
14da kam mich Furcht und Zittern an, und alle meine Gebeine erschraken.
15Een ademtocht streek langs mijn gelaat, En deed mijn haren ten berge rijzen.
15Und da der Geist an mir vorüberging standen mir die Haare zu Berge an meinem Leibe.
16Daar stond er één voor mij, Wiens gelaat ik niet kon herkennen; Een gestalte zweefde voor mijn oog, En ik hoorde het fluisteren van een stem:
16Da stand ein Bild vor meinen Augen, und ich kannte seine Gestalt nicht; es war still, und ich hörte eine Stimme:
17Is een mens ooit rechtvaardig voor God, Een mensenkind rein voor zijn Schepper?
17Wie kann ein Mensch gerecht sein vor Gott? oder ein Mann rein sein vor dem, der ihn gemacht hat?
18Zie, zelfs op zijn dienaars kan Hij niet bouwen, Zelfs in zijn engelen ontdekt Hij gebreken.
18Siehe, unter seinen Knechten ist keiner ohne Tadel, und seine Boten zeiht er der Torheit:
19Hoeveel te meer in hen, die lemen hutten bewonen, Wier fundament in het stof is gelegd, En die als motten worden doodgetrapt,
19wie viel mehr die in Lehmhäusern wohnen und auf Erde gegründet sind und werden von Würmern gefressen!
20Van ‘s morgens tot ‘s avonds te pletter gedrukt; Die zonder dat men er acht op slaat, Voor eeuwig vergaan;
20Es währt vom Morgen bis an den Abend, so werden sie zerschlagen; und ehe sie es gewahr werden, sind sie gar dahin,
21Die, als hun tentpin wordt uitgerukt, Gaan sterven, eer zij het weten!
21und ihre Nachgelassenen vergehen und sterben auch unversehens.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.