Job 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Elifaz van Teman nam het woord, en sprak:
1Éliphaz de Théman prit la parole et dit:
2Zullen wij het woord tot u richten, tot u, zo verslagen? Maar wie zou zijn woorden kunnen bedwingen?
2Si nous osons ouvrir la bouche, en seras-tu peiné? Mais qui pourrait garder le silence?
3Zie, zelf hebt ge velen terecht gewezen, En slappe handen gesterkt;
3Voici, tu as souvent enseigné les autres, Tu as fortifié les mains languissantes,
4Uw woorden hebben struikelenden opgericht, Knikkende knieën hebt ge spierkracht verleend:
4Tes paroles ont relevé ceux qui chancelaient, Tu as affermi les genoux qui pliaient.
5Maar nu het ú overkomt, nu zijt ge verslagen, Nu het ú treft, verbijsterd!
5Et maintenant qu’il s’agit de toi, tu faiblis! Maintenant que tu es atteint, tu te troubles!
6Was dan uw vroomheid niet uw hoop, Uw onberispelijke wandel niet uw vertrouwen?
6Ta crainte de Dieu n’est-elle pas ton soutien? Ton espérance, n’est-ce pas ton intégrité?
7Denk eens na: wie kwam ooit onschuldig om, Of waar ter wereld werden rechtvaardigen verdelgd?
7Cherche dans ton souvenir: quel est l’innocent qui a péri? Quels sont les justes qui ont été exterminés?
8Ik heb altijd gezien: Die onheil ploegen En rampspoed zaaien, die oogsten ze ook!
8Pour moi, je l’ai vu, ceux qui labourent l’iniquité Et qui sèment l’injustice en moissonnent les fruits;
9Door Gods adem gaan ze te gronde, Door zijn ziedende gramschap komen ze om:
9Ils périssent par le souffle de Dieu, Ils sont consumés par le vent de sa colère,
10Het gebrul van den leeuw en het gehuil van den luipaard verstomt. De tanden der leeuwenwelpen worden stuk gebroken;
10Le rugissement des lions prend fin, Les dents des lionceaux sont brisées;
11De leeuwin komt om bij gebrek aan prooi, De jongen van de leeuwinnen worden uiteen gejaagd!
11Le lion périt faute de proie, Et les petits de la lionne se dispersent.
12Eens drong een woord in het diepste geheim tot mij door En mijn oor ving er het gefluister van op.
12Une parole est arrivée furtivement jusqu’à moi, Et mon oreille en a recueilli les sons légers.
13Het was in een nachtgezicht, uit dromen geboren, Wanneer een diepe slaap de mensen bevangt:
13Au moment où les visions de la nuit agitent la pensée, Quand les hommes sont livrés à un profond sommeil,
14Schrik en siddering grepen mij aan, En al mijn beenderen rilden van angst;
14Je fus saisi de frayeur et d’épouvante, Et tous mes os tremblèrent.
15Een ademtocht streek langs mijn gelaat, En deed mijn haren ten berge rijzen.
15Un esprit passa près de moi… Tous mes cheveux se hérissèrent…
16Daar stond er één voor mij, Wiens gelaat ik niet kon herkennen; Een gestalte zweefde voor mijn oog, En ik hoorde het fluisteren van een stem:
16Une figure d’un aspect inconnu était devant mes yeux, Et j’entendis une voix qui murmurait doucement:
17Is een mens ooit rechtvaardig voor God, Een mensenkind rein voor zijn Schepper?
17L’homme serait-il juste devant Dieu? Serait-il pur devant celui qui l’a fait?
18Zie, zelfs op zijn dienaars kan Hij niet bouwen, Zelfs in zijn engelen ontdekt Hij gebreken.
18Si Dieu n’a pas confiance en ses serviteurs, S’il trouve de la folie chez ses anges,
19Hoeveel te meer in hen, die lemen hutten bewonen, Wier fundament in het stof is gelegd, En die als motten worden doodgetrapt,
19Combien plus chez ceux qui habitent des maisons d’argile, Qui tirent leur origine de la poussière, Et qui peuvent être écrasés comme un vermisseau!
20Van ‘s morgens tot ‘s avonds te pletter gedrukt; Die zonder dat men er acht op slaat, Voor eeuwig vergaan;
20Du matin au soir ils sont brisés, Ils périssent pour toujours, et nul n’y prend garde;
21Die, als hun tentpin wordt uitgerukt, Gaan sterven, eer zij het weten!
21Le fil de leur vie est coupé, Ils meurent, et ils n’ont pas acquis la sagesse.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.