Job 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Elifaz van Teman nam het woord, en sprak:
1Then answered Eliphaz the Temanite, and said:
2Zullen wij het woord tot u richten, tot u, zo verslagen? Maar wie zou zijn woorden kunnen bedwingen?
2If one venture a word unto thee, wilt thou be weary? But who can withhold himself from speaking?
3Zie, zelf hebt ge velen terecht gewezen, En slappe handen gesterkt;
3Behold, thou hast instructed many, and thou hast strengthened the weak hands.
4Uw woorden hebben struikelenden opgericht, Knikkende knieën hebt ge spierkracht verleend:
4Thy words have upholden him that was falling, and thou hast strengthened the feeble knees.
5Maar nu het ú overkomt, nu zijt ge verslagen, Nu het ú treft, verbijsterd!
5But now it is come upon thee, and thou art weary; it toucheth thee, and thou art affrighted.
6Was dan uw vroomheid niet uw hoop, Uw onberispelijke wandel niet uw vertrouwen?
6Is not thy fear of God thy confidence, and thy hope the integrity of thy ways?
7Denk eens na: wie kwam ooit onschuldig om, Of waar ter wereld werden rechtvaardigen verdelgd?
7Remember, I pray thee, who ever perished, being innocent? Or where were the upright cut off?
8Ik heb altijd gezien: Die onheil ploegen En rampspoed zaaien, die oogsten ze ook!
8According as I have seen, they that plow iniquity, and sow mischief, reap the same.
9Door Gods adem gaan ze te gronde, Door zijn ziedende gramschap komen ze om:
9By the breath of God they perish, and by the blast of His anger are they consumed.
10Het gebrul van den leeuw en het gehuil van den luipaard verstomt. De tanden der leeuwenwelpen worden stuk gebroken;
10The lion roareth, and the fierce lion howleth — yet the teeth of the young lions are broken.
11De leeuwin komt om bij gebrek aan prooi, De jongen van de leeuwinnen worden uiteen gejaagd!
11The old lion perisheth for lack of prey, and the whelps of the lioness are scattered abroad.
12Eens drong een woord in het diepste geheim tot mij door En mijn oor ving er het gefluister van op.
12Now a word was secretly brought to me, and mine ear received a whisper thereof.
13Het was in een nachtgezicht, uit dromen geboren, Wanneer een diepe slaap de mensen bevangt:
13In thoughts from the visions of the night, when deep sleep falleth on men,
14Schrik en siddering grepen mij aan, En al mijn beenderen rilden van angst;
14Fear came upon me, and trembling, and all my bones were made to shake.
15Een ademtocht streek langs mijn gelaat, En deed mijn haren ten berge rijzen.
15Then a spirit passed before my face, that made the hair of my flesh to stand up.
16Daar stond er één voor mij, Wiens gelaat ik niet kon herkennen; Een gestalte zweefde voor mijn oog, En ik hoorde het fluisteren van een stem:
16It stood still, but I could not discern the appearance thereof; a form was before mine eyes; I heard a still voice:
17Is een mens ooit rechtvaardig voor God, Een mensenkind rein voor zijn Schepper?
17'Shall mortal man be just before God? Shall a man be pure before his Maker?
18Zie, zelfs op zijn dienaars kan Hij niet bouwen, Zelfs in zijn engelen ontdekt Hij gebreken.
18Behold, He putteth no trust in His servants, and His angels He chargeth with folly;
19Hoeveel te meer in hen, die lemen hutten bewonen, Wier fundament in het stof is gelegd, En die als motten worden doodgetrapt,
19How much more them that dwell in houses of clay, whose foundation is in the dust, who are crushed before the moth!
20Van ‘s morgens tot ‘s avonds te pletter gedrukt; Die zonder dat men er acht op slaat, Voor eeuwig vergaan;
20Betwixt morning and evening they are shattered; they perish for ever without any regarding it.
21Die, als hun tentpin wordt uitgerukt, Gaan sterven, eer zij het weten!
21Is not their tent-cord plucked up within them? They die, and that without wisdom.'
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.