Job
Chapter 19
Petrus Canisius Bible, 1…
vs JPS Tanakh (Jewish…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Job antwoordde, en sprak:
1Then Job answered and said:
2Hoe lang nog blijft gij mij krenken, En mij onder woorden verpletteren?
2How long will ye vex my soul, and crush me with words?
3Tien keer beschimpt gij mij reeds, En kwelt gij mij schaamteloos.
3These ten times have ye reproached me; ye are not ashamed that ye deal harshly with me.
4Zelfs al had ik mij werkelijk misdragen, Dan raakt het wangedrag mij alleen;
4And be it indeed that I have erred, mine error remaineth with myself.
5Gij mist het recht, een grote mond tegen mij op te zetten, Mijn schande mij te verwijten!
5If indeed ye will magnify yourselves against me, and plead against me my reproach;
6Erkent toch eindelijk, dat God mij kastijdt, En mij in zijn net heeft verstrikt!
6Know now that God hath subverted my cause, and hath compassed me with His net.
7Zie, ik roep: “Geweld!” maar vind geen verhoring, Ik roep om hulp: mij geschiedt geen recht!
7Behold, I cry out: 'Violence!' but I am not heard; I cry aloud, but there is no justice.
8Hij heeft mijn weg versperd: ik kan niet voorbij, En duisternis op mijn paden gelegd;
8He hath fenced up my way that I cannot pass, and hath set darkness in my paths.
9Mijn eer heeft Hij mij ontroofd, De kroon mij van het hoofd gerukt.
9He hath stripped me of my glory, and taken the crown from my head.
10Hij heeft mij van alle kant ondermijnd: en daar ga ik heen; Mijn hoop ontworteld als een boom,
10He hath broken me down on every side, and I am gone; and my hope hath He plucked up like a tree.
11Zijn gramschap tegen mij laten woeden, Mij als zijn vijand behandeld.
11He hath also kindled His wrath against me, and He counteth me unto Him as one of His adversaries.
12Als één man rukken zijn benden aan, En banen hun weg naar mij heen; Ze legeren zich rond mijn tent, Ze zijn zonder genade!
12His troops come on together, and cast up their way against me, and encamp round about my tent.
13Mijn broeders houden zich verre van mij, Mijn bekenden zijn vreemden voor mij;
13He hath put my brethren far from me, and mine acquaintance are wholly estranged from me.
14Mijn verwanten verdwenen, Mijn gasten zijn mij vergeten.
14My kinsfolk have failed, and my familiar friends have forgotten me.
15Mijn slavinnen zien mij aan voor een vreemde, Ik ben een onbekende voor haar;
15They that dwell in my house, and my maids, count me for a stranger; I am become an alien in their sight.
16Ik roep mijn slaaf: hij geeft mij geen antwoord, Zelfs al smeek ik er om.
16I call unto my servant, and he giveth me no answer, though I entreat him with my mouth.
17Mijn vrouw walgt van mijn adem, En ik stink voor mijn zonen;
17My breath is abhorred of my wife, and I am loathsome to the children of my tribe.
18Zelfs de kinderen minachten mij, En brutaliseren mij, als ik optreed.
18Even urchins despised me; if I arise, they speak against me.
19Al mijn getrouwen verafschuwen mij, Die ik liefhad, keren zich van mij af;
19All my intimate friends abhor me; and they whom I loved are turned against me.
20Mijn vlees teert weg in mijn huid Met mijn tanden knaag ik mijn beenderen af.
20My bone cleaveth to my skin and to my flesh, and I am escaped with the skin of my teeth.
21Erbarming, erbarming: gij tenminste, mijn vrienden, Want de hand van God heeft mij geraakt;
21Have pity upon me, have pity upon me, O ye my friends; for the hand of God hath touched me.
22Waarom mij als een hert vervolgen, Nooit verzadigd aan mijn vlees!
22Why do ye persecute me as God, and are not satisfied with my flesh?
23O, werden mijn woorden opgeschreven, Opgetekend in een boek,
23Oh that my words were now written! Oh that they were inscribed in a book!
24Met een stift van ijzer en lood Voor eeuwig op een rots gegrift:
24That with an iron pen and lead they were graven in the rock for ever!
25Ik weet, dat mijn Verlosser leeft, En ten leste op de aarde verschijnt;
25But as for me, I know that my Redeemer liveth, and that He will witness at the last upon the dust;
26Dat ik mij zal oprichten achter mijn huid, En van mijn vlees uit, God zal aanschouwen!
26And when after my skin this is destroyed, then without my flesh shall I see God;
27Ja, ik zal Hem aanschouwen, Mijn ogen zullen Hem zien, maar niet meer als vijand; Mijn nieren smachten in mijn schoot,
27Whom I, even I, shall see for myself, and mine eyes shall behold, and not another's. My reins are consumed within me.
28En wanneer gij dan zegt: Hoe vervolgen we hem, Welk voorwendsel zullen we tegen hem vinden;
28If ye say: 'How we will persecute him!' seeing that the root of the matter is found in me;
29Ducht dan het zwaard voor uzelf, Want dan zal de Gramschap de bozen verdelgen! Om te weten, of er gerechtigheid is!
29Be ye afraid of the sword; for wrath bringeth the punishments of the sword, that ye may know there is a judgment.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.