Job
Chapter 3
Petrus Canisius Bible, 1…
vs JPS Tanakh (Jewish…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Daarna opende Job zijn mond, om zijn geboorte dag te verwensen
1After this opened Job his mouth, and cursed his day.
2En Job hief aan en sprak:
2And Job spoke, and said:
3De dag verga, waarop ik geboren werd; De nacht, die sprak: Er is een knaapje ontvangen!
3Let the day perish wherein I was born, and the night wherein it was said: 'A man-child is brought forth.'
4Die dag: hij worde duisternis, God in den hoge zij er niet om bekommerd; Geen lichtglans moge hem bestralen,
4Let that day be darkness; let not God inquire after it from above, neither let the light shine upon it.
5Maar duisternis en schaduw des doods hem bedekken; Mogen wolken zich boven hem samenpakken, En zonsverduistering hem verschrikken!
5Let darkness and the shadow of death claim it for their own; let a cloud dwell upon it; let all that maketh black the day terrify it.
6Die nacht: het donker rove hem weg, Hij telle niet mee onder de dagen van het jaar, En trede niet op in het getal van de maanden. Mogen de sterren van zijn ochtendschemering worden gedoofd; Hij hope op licht, dat niet daagt, Hij aanschouwe de wimpers van het morgenrood niet!
6As for that night, let thick darkness seize upon it; let it not rejoice among the days of the year; let it not come into the number of the months.
7Ja, troosteloos blijve die nacht, Geen juichtoon dringe tot hem door;
7Lo, let that night be desolate; let no joyful voice come therein.
8Laat de dagbeheksers hem vervloeken, Gereed, om Liwjatan tegen hem op te hitsen:
8Let them curse it that curse the day, who are ready to rouse up leviathan.
9Mogen de sterren van zijn ochtendschemering worden gedoofd; Hij hope op licht, dat niet daagt, Hij aanschouwe de wimpers van het morgenrood niet!
9Let the stars of the twilight thereof be dark; let it look for light, but have none; neither let it behold the eyelids of the morning;
10Want hij sloot mij de deuren niet dicht van de schoot, Hij verborg niet het leed voor mijn ogen!
10Because it shut not up the doors of my mother's womb, nor hid trouble from mine eyes.
11Waarom stierf ik niet, toen ik uit de moederschoot kwam, Ging ik niet dood, toen ik haar lichaam verliet;
11Why died I not from the womb? Why did I not perish at birth?
12Waarom wachtten twee knieën mij op, Waarom twee borsten, om mij te zogen;
12Why did the knees receive me? And wherefore the breasts, that I should suck?
13Dan lag ik nu neer, en had rust; Ik zou slapen, en door niets meer worden gestoord:
13For now should I have lain still and been quiet; I should have slept; then had I been at rest —
14Naast koningen en rijksbestuurders, Die zich grafmonumenten hebben gebouwd;
14With kings and counsellors of the earth, who built up waste places for themselves;
15Naast vorsten, badend in goud, En die hun paleizen vulden met zilver.
15Or with princes that had gold, who filled their houses with silver;
16Waarom werd ik niet weggestopt als een misdracht, Als kinderkens, die het licht niet aanschouwen?
16Or as a hidden untimely birth I had not been; as infants that never saw light.
17Daar, waar de bozen hun tieren staken, Waar rust vindt, wiens kracht is bezweken;
17There the wicked cease from troubling; and there the weary are at rest.
18Waar de gevangenen allemaal vrede genieten, En de stem van de drijvers niet horen;
18There the prisoners are at ease together; they hear not the voice of the taskmaster.
19Waar kleinen en groten gelijk zijn, De slaven van hun meesters bevrijd.
19The small and great are there alike; and the servant is free from his master.
20Waarom het licht aan een rampzalige geschonken, Aan zielsbedroefden het leven:
20Wherewith is light given to him that is in misery, and life unto the bitter in soul —
21Aan hen, die de dood verbeiden, die niet komt, Die met groter vlijt naar hem dan naar schatten graven;
21Who long for death, but it cometh not; and dig for it more than for hid treasures;
22Die met blijdschap zouden juichen, En jubelen, wanneer zij het graf zouden vinden?
22Who rejoice unto exultation, and are glad, when they can find the grave? —
23Aan den man, wiens pad in de duisternis ligt, Wien God elke uitweg heeft afgesneden!
23To a man whose way is hid, and whom God hath hedged in?
24Want als mijn brood komt mijn zuchten, En als water stort zich mijn jammerklacht uit;
24For my sighing cometh instead of my food, and my roarings are poured out like water.
25Wanneer ik bang voor iets ben, overvalt het mij, Mij treft, wat ik ducht!
25For the thing which I did fear is come upon me, and that which I was afraid of hath overtaken me.
26Neen, geen rust voor mij, geen heil en geen vrede, Maar altijd weer tobben!
26I was not at ease, neither was I quiet, neither had I rest; but trouble came.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.