Job 3
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Daarna opende Job zijn mond, om zijn geboorte dag te verwensen
1Post hæc aperuit Job os suum, et maledixit diei suo,
2En Job hief aan en sprak:
2et locutus est:
3De dag verga, waarop ik geboren werd; De nacht, die sprak: Er is een knaapje ontvangen!
3[Pereat dies in qua natus sum, et nox in qua dictum est: Conceptus est homo.
4Die dag: hij worde duisternis, God in den hoge zij er niet om bekommerd; Geen lichtglans moge hem bestralen,
4Dies ille vertatur in tenebras: non requirat eum Deus desuper, et non illustretur lumine.
5Maar duisternis en schaduw des doods hem bedekken; Mogen wolken zich boven hem samenpakken, En zonsverduistering hem verschrikken!
5Obscurent eum tenebræ et umbra mortis; occupet eum caligo, et involvatur amaritudine.
6Die nacht: het donker rove hem weg, Hij telle niet mee onder de dagen van het jaar, En trede niet op in het getal van de maanden. Mogen de sterren van zijn ochtendschemering worden gedoofd; Hij hope op licht, dat niet daagt, Hij aanschouwe de wimpers van het morgenrood niet!
6Noctem illam tenebrosus turbo possideat; non computetur in diebus anni, nec numeretur in mensibus.
7Ja, troosteloos blijve die nacht, Geen juichtoon dringe tot hem door;
7Sit nox illa solitaria, nec laude digna.
8Laat de dagbeheksers hem vervloeken, Gereed, om Liwjatan tegen hem op te hitsen:
8Maledicant ei qui maledicunt diei, qui parati sunt suscitare Leviathan.
9Mogen de sterren van zijn ochtendschemering worden gedoofd; Hij hope op licht, dat niet daagt, Hij aanschouwe de wimpers van het morgenrood niet!
9Obtenebrentur stellæ caligine ejus; expectet lucem, et non videat, nec ortum surgentis auroræ.
10Want hij sloot mij de deuren niet dicht van de schoot, Hij verborg niet het leed voor mijn ogen!
10Quia non conclusit ostia ventris qui portavit me, nec abstulit mala ab oculis meis.
11Waarom stierf ik niet, toen ik uit de moederschoot kwam, Ging ik niet dood, toen ik haar lichaam verliet;
11Quare non in vulva mortuus sum? egressus ex utero non statim perii?
12Waarom wachtten twee knieën mij op, Waarom twee borsten, om mij te zogen;
12Quare exceptus genibus? cur lactatus uberibus?
13Dan lag ik nu neer, en had rust; Ik zou slapen, en door niets meer worden gestoord:
13Nunc enim dormiens silerem, et somno meo requiescerem
14Naast koningen en rijksbestuurders, Die zich grafmonumenten hebben gebouwd;
14cum regibus et consulibus terræ, qui ædificant sibi solitudines;
15Naast vorsten, badend in goud, En die hun paleizen vulden met zilver.
15aut cum principibus qui possident aurum, et replent domos suas argento;
16Waarom werd ik niet weggestopt als een misdracht, Als kinderkens, die het licht niet aanschouwen?
16aut sicut abortivum absconditum non subsisterem, vel qui concepti non viderunt lucem.
17Daar, waar de bozen hun tieren staken, Waar rust vindt, wiens kracht is bezweken;
17Ibi impii cessaverunt a tumultu, et ibi requieverunt fessi robore.
18Waar de gevangenen allemaal vrede genieten, En de stem van de drijvers niet horen;
18Et quondam vincti pariter sine molestia, non audierunt vocem exactoris.
19Waar kleinen en groten gelijk zijn, De slaven van hun meesters bevrijd.
19Parvus et magnus ibi sunt, et servus liber a domino suo.
20Waarom het licht aan een rampzalige geschonken, Aan zielsbedroefden het leven:
20Quare misero data est lux, et vita his qui in amaritudine animæ sunt:
21Aan hen, die de dood verbeiden, die niet komt, Die met groter vlijt naar hem dan naar schatten graven;
21qui expectant mortem, et non venit, quasi effodientes thesaurum;
22Die met blijdschap zouden juichen, En jubelen, wanneer zij het graf zouden vinden?
22gaudentque vehementer cum invenerint sepulchrum?
23Aan den man, wiens pad in de duisternis ligt, Wien God elke uitweg heeft afgesneden!
23viro cujus abscondita est via et circumdedit eum Deus tenebris?
24Want als mijn brood komt mijn zuchten, En als water stort zich mijn jammerklacht uit;
24Antequam comedam, suspiro; et tamquam inundantes aquæ, sic rugitus meus:
25Wanneer ik bang voor iets ben, overvalt het mij, Mij treft, wat ik ducht!
25quia timor quem timebam evenit mihi, et quod verebar accidit.
26Neen, geen rust voor mij, geen heil en geen vrede, Maar altijd weer tobben!
26Nonne dissimulavi? nonne silui? nonne quievi? et venit super me indignatio.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.