Job
Chapter 33
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Clementine Vulgate…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Luister nu, Job, naar mijn rede, En leen het oor aan heel mijn betoog.
1[Audi igitur, Job, eloquia mea, et omnes sermones meos ausculta.
2Zie, ik heb mijn mond geopend, Mijn tong in mijn gehemelte spreekt;
2Ecce aperui os meum: loquatur lingua mea in faucibus meis.
3Mijn hart stort woorden van wijsheid uit, Mijn lippen verkonden duidelijke taal!
3Simplici corde meo sermones mei, et sententiam puram labia mea loquentur.
4De geest van God heeft mij gemaakt, De adem van den Almachtige mij het leven geschonken;
4Spiritus Dei fecit me, et spiraculum Omnipotentis vivificavit me.
5Antwoord mij dus, zo ge kunt; Houd u gereed, stel u tegen mij op!
5Si potes, responde mihi, et adversus faciem meam consiste.
6Ik ben dus voor God aan u gelijk, Ook ik ben gekneed uit leem:
6Ecce, et me sicut et te fecit Deus, et de eodem luto ego quoque formatus sum.
7Dus behoeft u geen vrees voor mij te verschrikken Mijn hand niet zwaar u te drukken.
7Verumtamen miraculum meum non te terreat, et eloquentia mea non sit tibi gravis.
8Ge hebt voor mijn eigen oren verklaard, En ik heb uw woorden verstaan:
8Dixisti ergo in auribus meis, et vocem verborum tuorum audivi:
9“Ik ben rein, zonder zonde, Ik ben zuiver, op mij rust geen schuld!”
9Mundus sum ego, et absque delicto: immaculatus, et non est iniquitas in me.
10“Toch vindt Hij klachten tegen mij, En behandelt mij als zijn vijand;
10Quia querelas in me reperit, ideo arbitratus est me inimicum sibi.
11Hij steekt mijn voeten in het blok, Bespiedt al mijn gangen.
11Posuit in nervo pedes meos; custodivit omnes semitas meas.
12Zie, als ik roep, antwoordt Hij niet Want God is groter dan een mens!”
12Hoc est ergo in quo non es justificatus: respondebo tibi, quia major sit Deus homine.
13Hoe hebt ge Hem durven verwijten, Dat Hij op geen van uw woorden antwoord geeft?
13Adversus eum contendis, quod non ad omnia verba responderit tibi?
14Het is, omdat God slechts eenmaal spreekt, En het geen tweede keer herhaalt:
14Semel loquitur Deus, et secundo idipsum non repetit.
15In een droom, in een nachtelijk visioen In de sluimering op de sponde.
15Per somnium, in visione nocturna, quando irruit sopor super homines, et dormiunt in lectulo,
16Dan opent Hij het oor van de mensen, En verschrikt hen door zijn visioenen,
16tunc aperit aures virorum, et erudiens eos instruit disciplina,
17Om den mens van trots te weerhouden, Den man voor hoogmoed te behoeden;
17ut avertat hominem ab his quæ facit, et liberet eum de superbia,
18Om zo zijn ziel voor de groeve te bewaren, Zijn leven voor de gang naar het graf.
18eruens animam ejus a corruptione, et vitam illius ut non transeat in gladium.
19Dan kastijdt Hij hem door smart op zijn sponde, Door een koorts in zijn beenderen zonder eind,
19Increpat quoque per dolorem in lectulo, et omnia ossa ejus marcescere facit.
20Zodat zijn leven van het brood gaat walgen, Zijn ziel van de begeerlijkste spijs;
20Abominabilis ei fit in vita sua panis, et animæ illius cibus ante desiderabilis.
21Zijn vlees slinkt zienderogen weg, Zijn gebeente, eens onzichtbaar, ligt bloot.
21Tabescet caro ejus, et ossa, quæ tecta fuerant, nudabuntur.
22Maar zelfs als zijn ziel het graf al nabij is, Zijn leven het oord van de doden: Zo hij besluit in zijn hart, zich tot God te keren En hij zijn dwaasheid erkent:
22Appropinquavit corruptioni anima ejus, et vita illius mortiferis.
23Dan treedt er voor hem een engel op, Een tolk, een uit de duizend. Dan wijst hij den mens op zijn plicht,
23Si fuerit pro eo angelus loquens, unus de millibus, ut annuntiet hominis æquitatem,
24Ontfermt zich zijner, en spreekt: Laat hem toch niet in de groeve dalen, Ik heb zijn losprijs gevonden
24miserebitur ejus, et dicet: Libera eum, ut non descendat in corruptionem: inveni in quo ei propitier.
25Zijn vlees worde frisser dan in zijn jeugd, Hij kere tot zijn jonkheid terug!
25Consumpta est caro ejus a suppliciis: revertatur ad dies adolescentiæ suæ.
26Dan laat God Zich verbidden; genadig neemt Hij hem aan, Doet hem zijn aanschijn met jubel aanschouwen, En schenkt den mens zijn gerechtigheid terug.
26Deprecabitur Deum, et placabilis ei erit: et videbit faciem ejus in jubilo, et reddet homini justitiam suam.
27Dan juicht hij het uit voor de mensen, en zegt: Ik heb gezondigd, het recht verdraaid, Maar Hij heeft het niet op mij gewroken!
27Respiciet homines, et dicet: Peccavi, et vere deliqui, et ut eram dignus, non recepi.
28Zo behoedt Hij zijn ziel voor de gang naar het graf, En verlustigt zijn leven zich in het licht!
28Liberavit animam suam, ne pergeret in interitum, sed vivens lucem videret.
29Zie, dit alles doet God Tweemaal, driemaal met een mens:
29Ecce hæc omnia operatur Deus tribus vicibus per singulos,
30Hij brengt zijn leven terug van het graf, En bestraalt hem met het levenslicht!
30ut revocet animas eorum a corruptione, et illuminet luce viventium.
31Luister dus, Job, en hoor naar mij; Zwijg stil, en laat het spreken aan mij.
31Attende, Job, et audi me: et tace, dum ego loquor.
32Hebt ge dan iets te zeggen, antwoord mij; Spreek dan, want ik geef u gaarne gelijk.
32Si autem habes quod loquaris, responde mihi: loquere, volo enim te apparere justum.
33Zo niet, luister naar mij, En zwijg, ik zal u wijsheid leren!
33Quod si non habes, audi me: tace, et docebo te sapientiam.]

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.