Job 17
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Mijn geest gebroken, mijn dagen geblust, Mij rest slechts het graf!
1[Spiritus meus attenuabitur; dies mei breviabuntur: et solum mihi superest sepulchrum.
2Ben ik niet het mikpunt van spot, Verkwijnt niet mijn oog door de bittere verwijten?
2Non peccavi, et in amaritudinibus moratur oculus meus.
3Stel Uzelf bij U tot borg voor mijl; Wie anders zou voor mij handslag geven?
3Libera me, Domine, et pone me juxta te, et cujusvis manus pugnet contra me.
4Want hùn hart hebt Gij voor inzicht gesloten, En daarom steken zij de hand niet uit;
4Cor eorum longe fecisti a disciplina: propterea non exaltabuntur.
5Men beklaagt het lot van zijn vrienden Terwijl de ogen versmachten van de eigen kinderen;
5Prædam pollicetur sociis, et oculi filiorum ejus deficient.
6Men heeft mij tot spreekwoord gemaakt bij de mensen, Ik ben een, wien men in het aangezicht spuwt!
6Posuit me quasi in proverbium vulgi, et exemplum sum coram eis.
7Mijn oog is dof van verdriet, Mijn leden zijn tot een schaduw vervluchtigd!
7Caligavit ab indignatione oculus meus, et membra mea quasi in nihilum redacta sunt.
8De braven ontstellen ervan, De onschuldige is jaloers op den boze:
8Stupebunt justi super hoc, et innocens contra hypocritam suscitabitur.
9Moet de rechtvaardige toch zijn weg maar bewandelen, Wie rein van handen is, zijn kracht nog verdubbelen?
9Et tenebit justus viam suam, et mundis manibus addet fortitudinem.
10En daarom, hoe gij u allen wendt of keert, Een wijze vind ik onder u niet;
10Igitur omnes vos convertimini, et venite, et non inveniam in vobis ullum sapientem.
11Mijn levensdagen zijn voorbij, Mijn plannen, mijn hartewensen vernield!
11Dies mei transierunt; cogitationes meæ dissipatæ sunt, torquentes cor meum.
12Men maakt een dag van de nacht, Van duisternis het morgenlicht!
12Noctem verterunt in diem, et rursum post tenebras spero lucem.
13Kan ik nog hopen? Het dodenrijk is mijn huis, In de duisternis heb ik mijn leger gespreid;
13Si sustinuero, infernus domus mea est, et in tenebris stravi lectulum meum.
14Tot het graf geroepen: Gij zijt mijn vader, Tot de wormen: Gij zijt mijn moeder en zusters!
14Putredini dixi: Pater meus es; Mater mea, et soror mea, vermibus.
15Waar is mijn hoop, Mijn geluk, wie kan het ontdekken:
15Ubi est ergo nunc præstolatio mea? et patientiam meam quis considerat?
16Zullen ze met mij in het dodenrijk dalen, Zinken wij samen neer in het stof?
16In profundissimum infernum descendent omnia mea: putasne saltem ibi erit requies mihi?]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.