Job 17
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1Mijn geest gebroken, mijn dagen geblust, Mij rest slechts het graf!
1Mein Odem ist schwach, und meine Tage sind abgekürzt; das Grab ist da.
2Ben ik niet het mikpunt van spot, Verkwijnt niet mijn oog door de bittere verwijten?
2Fürwahr, Gespött umgibt mich, und auf ihrem Hadern muß mein Auge weilen.
3Stel Uzelf bij U tot borg voor mijl; Wie anders zou voor mij handslag geven?
3Sei du selber mein Bürge bei dir; wer will mich sonst vertreten?
4Want hùn hart hebt Gij voor inzicht gesloten, En daarom steken zij de hand niet uit;
4Denn du hast ihrem Herzen den Verstand verborgen; darum wirst du ihnen den Sieg geben.
5Men beklaagt het lot van zijn vrienden Terwijl de ogen versmachten van de eigen kinderen;
5Es rühmt wohl einer seinen Freunden die Ausbeute; aber seiner Kinder Augen werden verschmachten.
6Men heeft mij tot spreekwoord gemaakt bij de mensen, Ik ben een, wien men in het aangezicht spuwt!
6Er hat mich zum Sprichwort unter den Leuten gemacht, und ich muß mir ins Angesicht speien lassen.
7Mijn oog is dof van verdriet, Mijn leden zijn tot een schaduw vervluchtigd!
7Mein Auge ist dunkel geworden vor Trauern, und alle meine Glieder sind wie ein Schatten.
8De braven ontstellen ervan, De onschuldige is jaloers op den boze:
8Darüber werden die Gerechten sich entsetzen, und die Unschuldigen werden sich entrüsten gegen die Heuchler.
9Moet de rechtvaardige toch zijn weg maar bewandelen, Wie rein van handen is, zijn kracht nog verdubbelen?
9Aber der Gerechte wird seinen Weg behalten; und wer reine Hände hat, wird an Stärke zunehmen.
10En daarom, hoe gij u allen wendt of keert, Een wijze vind ik onder u niet;
10Wohlan, so kehrt euch alle her und kommt; ich werde doch keinen Weisen unter euch finden.
11Mijn levensdagen zijn voorbij, Mijn plannen, mijn hartewensen vernield!
11Meine Tage sind vergangen; meine Anschläge sind zerrissen, die mein Herz besessen haben.
12Men maakt een dag van de nacht, Van duisternis het morgenlicht!
12Sie wollen aus der Nacht Tag machen und aus dem Tage Nacht.
13Kan ik nog hopen? Het dodenrijk is mijn huis, In de duisternis heb ik mijn leger gespreid;
13Wenn ich gleich lange harre, so ist doch bei den Toten mein Haus, und in der Finsternis ist mein Bett gemacht;
14Tot het graf geroepen: Gij zijt mijn vader, Tot de wormen: Gij zijt mijn moeder en zusters!
14Die Verwesung heiße ich meinen Vater und die Würmer meine Mutter und meine Schwester:
15Waar is mijn hoop, Mijn geluk, wie kan het ontdekken:
15was soll ich denn harren? und wer achtet mein Hoffen?
16Zullen ze met mij in het dodenrijk dalen, Zinken wij samen neer in het stof?
16Hinunter zu den Toten wird es fahren und wird mit mir in dem Staub liegen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.