1 Kronieken 1
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1Adam Set, Enos,
1Adam, Seth, Enos,
2Kaïnan, Malaleël, Járed,
2Kenan, Mahalaleel, Jared,
3Henok, Matoesala, Lámek,
3Henoch, Methusalah, Lamech,
4Noë. Sem, Cham en Jáfet.
4Noah, Sem, Ham, Japheth.
5De zonen van Jáfet waren: Gómer, Magog, Madai, Jawan, Toebal, Mésjek en Tiras.
5Die Kinder Japheths sind diese: Gomer, Magog, Madai, Javan, Thubal, Mesech, Thiras.
6De zonen van Gómer: Asjkenaz, Rifat en Togarma.
6Die Kinder aber Gomers sind: Askenas, Riphath, Thogarma.
7De zonen van Jawan: Elisja, Tarsjisj, de Kittiërs en de Dodanieten.
7Die Kinder Javans sind: Elisa, Tharsisa, die Chittiter, die Dodaniter.
8De zonen van Cham waren: Koesj, Egypte, Poet en Kanaän.
8Die Kinder Hams sind: Chus, Mizraim, Put, Kanaan.
9De zonen van Koesj waren: Seba, Chawila, Sabta, Rama en Sabteka. De zonen van Rama: Sjeba en Dedan.
9Die Kinder aber von Chus sind: Seba, Hevila, Sabtha, Ragma, Sabthecha. Die Kinder aber Ragmas sind: Saba und Dedan.
10Koesj verwekte ook Nimrod. Deze begon machtig te worden op aarde.
10Chus aber zeugte Nimrod; der fing an, gewaltig zu sein auf Erden.
11Egypte bracht de Loedieten voort, de Anamieten, de Lehabieten, de Naftoechieten,
11Mizraim zeugte die Luditer, die Anamiter, die Lehabiter, die Naphthuhiter,
12de Patroesieten en de Kasloechieten, waar de Filistijnen en de Kaftorieten uit voortgekomen zijn.
12die Pathrusiter, die Kasluhiter, von welchen sind ausgegangen die Philister, und die Kaphthoriter.
13Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Chet;
13Kanaan aber zeugte Sidon, seinen ersten Sohn und Heth,
14verder de Jeboesieten, Amorieten en de Girgasjieten,
14den Jebusiter, den Amoriter, den Girgasiter,
15de Chiwwieten, Arkieten en Sinieten,
15den Heviter, den Arkiter, den Siniter,
16de Arwadieten, Semarieten en Chamatieten.
16den Arvaditer, den Zemariter und den Hamathiter.
17De zonen van Sem waren: Elam, Assjoer, Arpaksad, de Lydiërs, Aram, Oes, Choel, Géter en Mésjek.
17Die Kinder Sems sind diese: Elam, Assur, Arphachsad, Lud, Aram, Uz, Hul, Gether und Mesech.
18Arpaksad verwekte Sála, en Sála weer Éber.
18Arphachsad aber zeugte Salah; Salah zeugte Eber.
19Éber had twee zonen: de eerste heette Páleg, omdat in zijn tijd de wereld verdeeld werd; zijn broer heette Joktan.
19Eber aber wurden zwei Söhne geboren: der eine hieß Peleg, darum daß zu seiner Zeit das Land zerteilt ward, und sein Bruder hieß Joktan.
20Joktan verwekte Almodad en Sjélef, Chasarmáwet en Jérach,
20Joktan aber zeugte Almodad, Saleph, Hazarmaveth, Jarah,
21Hadoram, Oezal en Dikla,
21Hadoram, Usal, Dikla,
22Ebal, Abimaël, Sjeba,
22Ebal, Abimael, Saba,
23Ofir, Chawila en Jobab: allen zonen van Joktan.
23Ophir, Hevila, und Jobab. Diese alle sind Kinder Joktans.
24Sem, Arpaksad, Sála,
24Sem, Arphachsad, Salah,
25Éber en Páleg; Ragaoe,
25Eber, Peleg, Regu,
26Seroeg, Nachor, Tara
26Serug, Nahor, Tharah,
27en Abram; dat is dezelfde als Abraham.
27Abram, das ist Abraham.
28De zonen van Abraham waren Isaäk en Jisjmaël.
28Die Kinder aber Abrahams sind: Isaak und Ismael.
29Hier volgt de lijst van hun afstammelingen. De eerstgeborene van Jisjmaël was Nebajot; verder Kedar, Adbeël en Mibsam,
29Dies ist ihr Geschlecht: der erste Sohn Ismaels, Nebajoth, Kedar, Adbeel, Mibsam,
30Misjma, Doema en Massa, Chadad, Tema,
30Misma, Duma, Massa, Hadad, Thema,
31Jetoer, Nafisj en Kédma. Dit zijn de zonen van Jisjmaël.
31Jetur, Naphis, Kedma. Das sind die Kinder Ismaels.
32Ketoera, de bijvrouw van Abraham, kreeg de volgende kinderen: Zimran, Joksjan, Medan, Midjan, Jisjbak en Sjóeach. Joksjan verwekte Sjeba en Dedan.
32Die Kinder aber Keturas, des Kebsweibs Abraham: die gebar Simran, Joksan, Medan, Midian, Jesbak, Suah. Aber die Kinder Joksans sind: Saba und Dedan.
33De zonen van Midjan waren: Efa, Éfer, Chanok, Abida en Eldaä. Dat waren allen nakomelingen van Ketoera.
33Und die Kinder Midians sind: Epha, Epher, Hanoch, Abida, Eldaa. Diese alle sind Kinder der Ketura.
34Abraham was de vader van Isaäk. De zonen van Isaäk waren Esau en Israël.
34Abraham zeugte Isaak. Die Kinder aber Isaaks sind: Esau und Israel.
35De zonen van Esau waren: Elifáz, Reoeël, Jeoesj, Jalam en Kórach.
35Die Kinder Esaus sind: Eliphas, Reguel, Jeus, Jaelam, Korah.
36De zonen van Elifaz waren: Teman, Omar, Sefi, Gatam, Kenaz, Timna en Amalek.
36Die Kinder Eliphas sind: Theman, Omar, Zephi, Gaetham, Kenas, Thimna, Amalek.
37De zonen van Reoeël waren: Náchat en Zérach, Sjamma en Mizza.
37Die Kinder Reguels sind: Nahath, Serah, Samma und Missa.
38De zonen van Seïr waren: Lotan. Sjobal, Sibon en Ana; verder Disjon, Éser en Disjan.
38Die Kinder Seirs sind: Lotan, Sobal, Zibeon, Ana, Dison, Ezer, Disan.
39De zonen van Lotan waren Chori en Homam; de zuster van Lotan was Timna.
39Die Kinder Lotans sind: Hori, Homam; und Thimna war eine Schwester Lotans.
40De zonen van Sjobal waren: Aljan, Manáchat, Ebal, Sjefi en Onam. De zonen van Sibon waren Ajja en Ana.
40Die Kinder Sobals sind: Aljan, Manahath, Ebal, Sephi, Onam. Die Kinder Zibeons sind: Aja und Ana.
41De zoon van Ana was Disjon. De zonen van Disjon waren: Chamran, Esjban, Jitran en Keran.
41Die Kinder Anas: Dison. Die Kinder Disons sind: Hamran, Esban, Jethran, Cheran.
42De zonen van Éser waren: Bilhan, Zaäwan en Akan. De zonen van Disjan waren Oes en Aran.
42Die Kinder Ezers sind: Bilhan, Saawan, Jaakan. Die Kinder Disans sind: Uz und Aran.
43En dit zijn de koningen, die over het land Edom regeerden, eer er een koning heerste over de zonen Israëls. Béla, de zoon van Beor; zijn hofstad heette Dinhaba.
43Die sind die Könige die regiert haben im Lande Edom, ehe denn ein König regierte unter den Kindern Israel; Bela, der Sohn Beors; und seine Stadt hieß Dinhaba.
44Na de dood van Béla regeerde Jobab, de zoon van Zérach uit Bosra in zijn plaats.
44Und da Bela starb, ward König an seiner Statt Jobab, der Sohn Serahs von Bozra.
45Na de dood van Jobab regeerde Choesjam uit het land der Temanieten in zijn plaats.
45Und da Jobab starb, ward König an seiner Statt Husam aus der Themaniter Lande.
46Na de dood van Choesjam regeerde Hadad, de zoon van Bedad, in zijn plaats. Hij was het, die Midjan in de vlakten van Moab versloeg; zijn stad heette Awit.
46Da Husam starb, ward König an seiner Statt Hadad, der Sohn Bedads der die Midianiter schlug in der Moabiter Feld; und seine Stadt hieß Awith.
47Na de dood van Hadad regeerde Samla uit Masreka in zijn plaats.
47Da Hadad starb, ward König an seiner Statt Samla von Masrek.
48Na de dood van Samla regeerde Sjaoel uit Rechobot aan de rivier in zijn plaats.
48Da Samla starb, ward König an seiner Statt Saul von Rehoboth am Strom.
49Na de dood van Sjaoel regeerde Báal-Chanan, de zoon van Akbor, in zijn plaats.
49Da Saul starb, ward König an seiner Statt Baal-Hanan, der Sohn Achbors.
50Na de dood van Báal-Chanan regeerde Hadad in zijn plaats; zijn hofstad heette Paï; zijn vrouw heette Mehetabel, en was de dochter van Matred en kleindochter van Me-Zahab.
50Da Baal-Hanan starb, ward König an seiner Statt Hadad, und seine Stadt hieß Pagi; und sein Weib hieß Mehetabeel, eine Tochter Matreds, die Mesahabs Tochter war.
51Na de dood van Hadad waren er de volgende stamhoofden in Edom: die van Timna, Alja en Jetet,
51Da aber Hadad starb, wurden Fürsten zu Edom: Fürst Thimna, Fürst Alwa, Fürst Jetheth,
52Oholibama, Ela en Pinon,
52Fürst Oholibama, Fürst Ela, Fürst Pinon,
53Kenaz, Teman en Mibsar,
53Fürst Kenas, Fürst Theman, Fürst Mizbar,
54Magdiël en Iram. Dit waren dus de stamhoofden van Edom.
54Fürst Magdiel, Fürst Iram. Das sind die Fürsten zu Edom.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.