Job 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1Job antwoordde, en sprak:
1Hiob antwortete und sprach:
2Ach, mocht mijn wrevel worden gewogen, Maar tegelijk met mijn leed op de weegschaal gelegd:
2Wenn man doch meinen Unmut wöge und mein Leiden zugleich in die Waage legte!
3Want omdat het zwaarder is dan het zand aan de zee, Daarom gingen ook mijn woorden de perken te buiten.
3Denn nun ist es schwerer als Sand am Meer; darum gehen meine Worte irre.
4Ja, de pijlen van den Almachtige blijven in mij steken, Mijn geest zuigt er het gif van op; De verschrikkingen Gods Stellen zich tegen mij in slagorde op!
4Denn die Pfeile des Allmächtigen stecken in mir: derselben Gift muß mein Geist trinken, und die Schrecknisse Gottes sind auf mich gerichtet.
5Balkt soms de woudezel bij het gras Of loeit het rund bij zijn kribbe?
5Das Wild schreit nicht, wenn es Gras hat; der Ochse blökt nicht, wenn er sein Futter hat.
6Kan het laffe zonder zout worden gegeten, Of is er smaak aan het wit van een ei?
6Kann man auch essen, was ungesalzen ist? Oder wer mag kosten das Weiße um den Dotter?
7Neen, ik weiger, het aan te raken, Ze zijn voor mij een walgelijke spijs!
7Was meine Seele widerte anzurühren, das ist meine Speise, mir zum Ekel.
8Ach, dat mijn bede werd verhoord, En dat God mijn wens mocht vervullen;
8O, daß meine Bitte geschähe und Gott gäbe mir, was ich hoffe!
9Dat het God behaagde, mij te verpletteren, Zijn hand zich bewoog, om mij weg te maaien.
9Daß Gott anfinge und zerschlüge mich und ließe seine Hand gehen und zerscheiterte mich!
10Dat zou een troost voor mij zijn, En ik danste ondanks mijn leed: “Hij spaart mij niet, Omdat ik den Heilige mijn wens niet verzweeg!”.
10So hätte ich nun Trost, und wollte bitten in meiner Krankheit, daß er nur nicht schonte, habe ich doch nicht verleugnet die Reden des Heiligen.
11Want wat is mijn kracht, dat ik nu nog zou wachten, Wat mijn uitzicht, dat ik langer zou leven?
11Was ist meine Kraft, daß ich möge beharren? und welches ist mein Ende, daß meine Seele geduldig sein sollte?
12Is mijn kracht soms als die van een steen, Is mijn vlees soms van brons?
12Ist doch meine Kraft nicht steinern und mein Fleisch nicht ehern.
13Ben ik niet geheel van redding verstoken, Is iedere hulp mij niet ontzegd?
13Habe ich doch nirgend Hilfe, und mein Vermögen ist dahin.
14Maar wie zijn vriend barmhartigheid weigert, Verzaakt de vrees voor den Almachtige!
14Wer Barmherzigkeit seinem Nächsten verweigert, der verläßt des Allmächtigen Furcht.
15Toch zijn mijn broeders als een beek onbetrouwbaar, Als een stortbeek, die wegstroomt:
15Meine Brüder trügen wie ein Bach, wie Wasserströme, die vergehen,
16Die bedekt zijn met ijs, Of bedolven onder sneeuw;
16die trübe sind vom Eis, in die der Schnee sich birgt:
17Zodra de hitte komt, drogen zij uit, Zodra het warm wordt, zijn ze verdwenen.
17zur Zeit, wenn sie die Hitze drückt, versiegen sie; wenn es heiß wird, vergehen sie von ihrer Stätte.
18Ze buigen af van de weg, die ze gaan, En verliezen zich in de woestijn;
18Die Reisezüge gehen ab vom Wege, sie treten aufs Ungebahnte und kommen um;
19De karavanen van Tema zien er naar uit, De convooien van Sjeba hebben er hun hoop op gevestigd:
19die Reisezüge von Thema blicken ihnen nach, die Karawanen von Saba hofften auf sie:
20Maar ze worden in hun verwachting beschaamd, Staan bij hun aankomst te schande.
20aber sie wurden zu Schanden über ihrer Hoffnung und mußten sich schämen, als sie dahin kamen.
21Zo zijt gij voor mij nu geworden: Gij aanschouwt mijn ellende, en beangst deinst gij terug!
21So seid ihr jetzt ein Nichts geworden, und weil ihr Jammer sehet, fürchtet ihr euch.
22Heb ik gevraagd: Geeft mij iets ten geschenke, Of staat mij van uw vermogen iets af;
22Habe ich auch gesagt: Bringet her von eurem Vermögen und schenkt mir
23Of redt mij uit de hand van den vijand, Bevrijdt mij uit de greep der tyrannen?
23und errettet mich aus der Hand des Feindes und erlöst mich von der Hand der Gewalttätigen?
24Neen, onderricht mij, en dan zal ik zwijgen; Laat mij inzien, waarin ik heb gedwaald!
24Lehret mich, so will ich schweigen; und was ich nicht weiß, darin unterweist mich.
25Hoe zoet zijn woorden, die oprecht zijn gemeend, Maar hoe grievend de berisping van u!
25Warum tadelt ihr rechte Rede? Wer ist unter euch, der sie strafen könnte?
26Meent gij, mijn woorden te moeten berispen: Woorden van een wanhopige, die in de wind zijn gesproken?
26Gedenket ihr, Worte zu strafen? Aber eines Verzweifelten Rede ist für den Wind.
27Wilt gij het lot over een onschuldige werpen, En de staf breken over uw vriend?
27Ihr fielet wohl über einen armen Waisen her und grübet eurem Nachbarn Gruben.
28Welnu dan, wilt mij aanhoren:Ik lieg u toch niet in het gezicht.
28Doch weil ihr habt angehoben, sehet auf mich, ob ich vor euch mit Lügen bestehen werde.
29Bezint u, en laat er geen onrecht geschieden; Bezint u, mijn onschuld zal blijken!
29Antwortet, was recht ist; meine Antwort wird noch recht bleiben.
30Is er soms onrecht op mijn tong, Of kan mijn gehemelte de rampen niet proeven;
30Ist denn auf meiner Zunge Unrecht, oder sollte mein Gaumen Böses nicht merken?
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.