Job 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Job antwoordde, en sprak:
1Job prit la parole et dit:
2Ach, mocht mijn wrevel worden gewogen, Maar tegelijk met mijn leed op de weegschaal gelegd:
2Oh! S’il était possible de peser ma douleur, Et si toutes mes calamités étaient sur la balance,
3Want omdat het zwaarder is dan het zand aan de zee, Daarom gingen ook mijn woorden de perken te buiten.
3Elles seraient plus pesantes que le sable de la mer; Voilà pourquoi mes paroles vont jusqu’à la folie!
4Ja, de pijlen van den Almachtige blijven in mij steken, Mijn geest zuigt er het gif van op; De verschrikkingen Gods Stellen zich tegen mij in slagorde op!
4Car les flèches du Tout-Puissant m’ont percé, Et mon âme en suce le venin; Les terreurs de Dieu se rangent en bataille contre moi.
5Balkt soms de woudezel bij het gras Of loeit het rund bij zijn kribbe?
5L’âne sauvage crie-t-il auprès de l’herbe tendre? Le bœuf mugit-il auprès de son fourrage?
6Kan het laffe zonder zout worden gegeten, Of is er smaak aan het wit van een ei?
6Peut-on manger ce qui est fade et sans sel? Y a-t-il de la saveur dans le blanc d’un œuf?
7Neen, ik weiger, het aan te raken, Ze zijn voor mij een walgelijke spijs!
7Ce que je voudrais ne pas toucher, C’est là ma nourriture, si dégoûtante soit-elle!
8Ach, dat mijn bede werd verhoord, En dat God mijn wens mocht vervullen;
8Puisse mon vœu s’accomplir, Et Dieu veuille réaliser mon espérance!
9Dat het God behaagde, mij te verpletteren, Zijn hand zich bewoog, om mij weg te maaien.
9Qu’il plaise à Dieu de m’écraser, Qu’il étende sa main et qu’il m’achève!
10Dat zou een troost voor mij zijn, En ik danste ondanks mijn leed: “Hij spaart mij niet, Omdat ik den Heilige mijn wens niet verzweeg!”.
10Il me restera du moins une consolation, Une joie dans les maux dont il m’accable: Jamais je n’ai transgressé les ordres du Saint.
11Want wat is mijn kracht, dat ik nu nog zou wachten, Wat mijn uitzicht, dat ik langer zou leven?
11Pourquoi espérer quand je n’ai plus de force? Pourquoi attendre quand ma fin est certaine?
12Is mijn kracht soms als die van een steen, Is mijn vlees soms van brons?
12Ma force est-elle une force de pierre? Mon corps est-il d’airain?
13Ben ik niet geheel van redding verstoken, Is iedere hulp mij niet ontzegd?
13Ne suis-je pas sans ressource, Et le salut n’est-il pas loin de moi?
14Maar wie zijn vriend barmhartigheid weigert, Verzaakt de vrees voor den Almachtige!
14Celui qui souffre a droit à la compassion de son ami, Même quand il abandonnerait la crainte du Tout-Puissant.
15Toch zijn mijn broeders als een beek onbetrouwbaar, Als een stortbeek, die wegstroomt:
15Mes frères sont perfides comme un torrent, Comme le lit des torrents qui disparaissent.
16Die bedekt zijn met ijs, Of bedolven onder sneeuw;
16Les glaçons en troublent le cours, La neige s’y précipite;
17Zodra de hitte komt, drogen zij uit, Zodra het warm wordt, zijn ze verdwenen.
17Viennent les chaleurs, et ils tarissent, Les feux du soleil, et leur lit demeure à sec.
18Ze buigen af van de weg, die ze gaan, En verliezen zich in de woestijn;
18Les caravanes se détournent de leur chemin, S’enfoncent dans le désert, et périssent.
19De karavanen van Tema zien er naar uit, De convooien van Sjeba hebben er hun hoop op gevestigd:
19Les caravanes de Théma fixent le regard, Les voyageurs de Séba sont pleins d’espoir;
20Maar ze worden in hun verwachting beschaamd, Staan bij hun aankomst te schande.
20Ils sont honteux d’avoir eu confiance, Ils restent confondus quand ils arrivent.
21Zo zijt gij voor mij nu geworden: Gij aanschouwt mijn ellende, en beangst deinst gij terug!
21Ainsi, vous êtes comme si vous n’existiez pas; Vous voyez mon angoisse, et vous en avez horreur!
22Heb ik gevraagd: Geeft mij iets ten geschenke, Of staat mij van uw vermogen iets af;
22Vous ai-je dit: Donnez-moi quelque chose, Faites en ma faveur des présents avec vos biens,
23Of redt mij uit de hand van den vijand, Bevrijdt mij uit de greep der tyrannen?
23Délivrez-moi de la main de l’ennemi, Rachetez-moi de la main des méchants?
24Neen, onderricht mij, en dan zal ik zwijgen; Laat mij inzien, waarin ik heb gedwaald!
24Instruisez-moi, et je me tairai; Faites-moi comprendre en quoi j’ai péché.
25Hoe zoet zijn woorden, die oprecht zijn gemeend, Maar hoe grievend de berisping van u!
25Que les paroles vraies sont persuasives! Mais que prouvent vos remontrances?
26Meent gij, mijn woorden te moeten berispen: Woorden van een wanhopige, die in de wind zijn gesproken?
26Voulez-vous donc blâmer ce que j’ai dit, Et ne voir que du vent dans les discours d’un désespéré?
27Wilt gij het lot over een onschuldige werpen, En de staf breken over uw vriend?
27Vous accablez un orphelin, Vous persécutez votre ami.
28Welnu dan, wilt mij aanhoren:Ik lieg u toch niet in het gezicht.
28Regardez-moi, je vous prie! Vous mentirais-je en face?
29Bezint u, en laat er geen onrecht geschieden; Bezint u, mijn onschuld zal blijken!
29Revenez, ne soyez pas injustes; Revenez, et reconnaissez mon innocence.
30Is er soms onrecht op mijn tong, Of kan mijn gehemelte de rampen niet proeven;
30Y a-t-il de l’iniquité sur ma langue, Et ma bouche ne discerne-t-elle pas le mal?
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.