Job 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Modern Hebrew Bible
1Job antwoordde, en sprak:
1ויען איוב ויאמר׃
2Ach, mocht mijn wrevel worden gewogen, Maar tegelijk met mijn leed op de weegschaal gelegd:
2לו שקול ישקל כעשי והיתי במאזנים ישאו יחד׃
3Want omdat het zwaarder is dan het zand aan de zee, Daarom gingen ook mijn woorden de perken te buiten.
3כי עתה מחול ימים יכבד על כן דברי לעו׃
4Ja, de pijlen van den Almachtige blijven in mij steken, Mijn geest zuigt er het gif van op; De verschrikkingen Gods Stellen zich tegen mij in slagorde op!
4כי חצי שדי עמדי אשר חמתם שתה רוחי בעותי אלוה יערכוני׃
5Balkt soms de woudezel bij het gras Of loeit het rund bij zijn kribbe?
5הינהק פרא עלי דשא אם יגעה שור על בלילו׃
6Kan het laffe zonder zout worden gegeten, Of is er smaak aan het wit van een ei?
6היאכל תפל מבלי מלח אם יש טעם בריר חלמות׃
7Neen, ik weiger, het aan te raken, Ze zijn voor mij een walgelijke spijs!
7מאנה לנגוע נפשי המה כדוי לחמי׃
8Ach, dat mijn bede werd verhoord, En dat God mijn wens mocht vervullen;
8מי יתן תבוא שאלתי ותקותי יתן אלוה׃
9Dat het God behaagde, mij te verpletteren, Zijn hand zich bewoog, om mij weg te maaien.
9ויאל אלוה וידכאני יתר ידו ויבצעני׃
10Dat zou een troost voor mij zijn, En ik danste ondanks mijn leed: “Hij spaart mij niet, Omdat ik den Heilige mijn wens niet verzweeg!”.
10ותהי עוד נחמתי ואסלדה בחילה לא יחמול כי לא כחדתי אמרי קדוש׃
11Want wat is mijn kracht, dat ik nu nog zou wachten, Wat mijn uitzicht, dat ik langer zou leven?
11מה כחי כי איחל ומה קצי כי אאריך נפשי׃
12Is mijn kracht soms als die van een steen, Is mijn vlees soms van brons?
12אם כח אבנים כחי אם בשרי נחוש׃
13Ben ik niet geheel van redding verstoken, Is iedere hulp mij niet ontzegd?
13האם אין עזרתי בי ותשיה נדחה ממני׃
14Maar wie zijn vriend barmhartigheid weigert, Verzaakt de vrees voor den Almachtige!
14למס מרעהו חסד ויראת שדי יעזוב׃
15Toch zijn mijn broeders als een beek onbetrouwbaar, Als een stortbeek, die wegstroomt:
15אחי בגדו כמו נחל כאפיק נחלים יעברו׃
16Die bedekt zijn met ijs, Of bedolven onder sneeuw;
16הקדרים מני קרח עלימו יתעלם שלג׃
17Zodra de hitte komt, drogen zij uit, Zodra het warm wordt, zijn ze verdwenen.
17בעת יזרבו נצמתו בחמו נדעכו ממקומם׃
18Ze buigen af van de weg, die ze gaan, En verliezen zich in de woestijn;
18ילפתו ארחות דרכם יעלו בתהו ויאבדו׃
19De karavanen van Tema zien er naar uit, De convooien van Sjeba hebben er hun hoop op gevestigd:
19הביטו ארחות תמא הליכת שבא קוו למו׃
20Maar ze worden in hun verwachting beschaamd, Staan bij hun aankomst te schande.
20בשו כי בטח באו עדיה ויחפרו׃
21Zo zijt gij voor mij nu geworden: Gij aanschouwt mijn ellende, en beangst deinst gij terug!
21כי עתה הייתם לא תראו חתת ותיראו׃
22Heb ik gevraagd: Geeft mij iets ten geschenke, Of staat mij van uw vermogen iets af;
22הכי אמרתי הבו לי ומכחכם שחדו בעדי׃
23Of redt mij uit de hand van den vijand, Bevrijdt mij uit de greep der tyrannen?
23ומלטוני מיד צר ומיד עריצים תפדוני׃
24Neen, onderricht mij, en dan zal ik zwijgen; Laat mij inzien, waarin ik heb gedwaald!
24הורוני ואני אחריש ומה שגיתי הבינו לי׃
25Hoe zoet zijn woorden, die oprecht zijn gemeend, Maar hoe grievend de berisping van u!
25מה נמרצו אמרי ישר ומה יוכיח הוכח מכם׃
26Meent gij, mijn woorden te moeten berispen: Woorden van een wanhopige, die in de wind zijn gesproken?
26הלהוכח מלים תחשבו ולרוח אמרי נאש׃
27Wilt gij het lot over een onschuldige werpen, En de staf breken over uw vriend?
27אף על יתום תפילו ותכרו על ריעכם׃
28Welnu dan, wilt mij aanhoren:Ik lieg u toch niet in het gezicht.
28ועתה הואילו פנו בי ועל פניכם אם אכזב׃
29Bezint u, en laat er geen onrecht geschieden; Bezint u, mijn onschuld zal blijken!
29שבו נא אל תהי עולה ושבי עוד צדקי בה׃
30Is er soms onrecht op mijn tong, Of kan mijn gehemelte de rampen niet proeven;
30היש בלשוני עולה אם חכי לא יבין הוות׃
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.