Job 31
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Toch had ik een verbond met mijn ogen gesloten, Om niet te kijken naar een maagd.
1J’avais fait un pacte avec mes yeux, Et je n’aurais pas arrêté mes regards sur une vierge.
2Want wat is het lot, door God in den hoge beschikt, Het erfdeel door den Almachtige daarboven bepaald?
2Quelle part Dieu m’eût-il réservée d’en haut? Quel héritage le Tout-Puissant m’eût-il envoyé des cieux?
3Het is de ondergang voor den ongerechte, Voor den boosdoener onheil!
3La ruine n’est-elle pas pour le méchant, Et le malheur pour ceux qui commettent l’iniquité?
4Slaat Hij mijn wegen niet gade, En telt Hij al mijn schreden niet?
4Dieu n’a-t-il pas connu mes voies? N’a-t-il pas compté tous mes pas?
5Ben ik ooit met leugens omgegaan, Of heeft zich mijn voet gerept tot bedrog?
5Si j’ai marché dans le mensonge, Si mon pied a couru vers la fraude,
6God wege mij slechts op een eerlijke schaal, En Hij zal mijn onschuld moeten erkennen!
6Que Dieu me pèse dans des balances justes, Et il reconnaîtra mon intégrité!
7Indien mijn tred is afgeweken Van het rechte pad; Mijn hart mijn ogen achterna is gelopen, Of smetten aan mijn handen kleven:
7Si mon pas s’est détourné du droit chemin, Si mon cœur a suivi mes yeux, Si quelque souillure s’est attachée à mes mains,
8Dan moge ik zaaien, een ander het eten, En wat ik geplant heb, worde uitgerukt!
8Que je sème et qu’un autre moissonne, Et que mes rejetons soient déracinés!
9Indien mijn hart is verleid door een vrouw, Ik geloerd heb aan de deur van mijn naaste:
9Si mon cœur a été séduit par une femme, Si j’ai fait le guet à la porte de mon prochain,
10Dan moge mijn vrouw voor een ander malen, En mogen anderen haar bezitten;
10Que ma femme tourne la meule pour un autre, Et que d’autres la déshonorent!
11Want dat zou een schanddaad zijn, En een halszaak voor het gerecht!
11Car c’est un crime, Un forfait que punissent les juges;
12Dan brande een vuur tot het dodenrijk En vertere heel mijn bezit!
12C’est un feu qui dévore jusqu’à la ruine, Et qui aurait détruit toute ma richesse.
13Indien ik het recht van mijn slaaf heb verkracht, Of van mijn slavin, met mij in geschil:
13Si j’ai méprisé le droit de mon serviteur ou de ma servante Lorsqu’ils étaient en contestation avec moi,
14Wat zou ik doen, als God Zich verhief, Wat Hem antwoorden, als Hij de zaak onderzocht?
14Qu’ai-je à faire, quand Dieu se lève? Qu’ai-je à répondre, quand il châtie?
15Heeft Hij, die mij in de moederschoot schiep, ook hen niet gemaakt, Heeft niet Een en Dezelfde ons in haar lichaam gevormd?
15Celui qui m’a créé dans le ventre de ma mère ne l’a-t-il pas créé? Le même Dieu ne nous a-t-il pas formés dans le sein maternel?
16Heb ik ooit een arme een bede geweigerd, De ogen van een weduwe laten versmachten;
16Si j’ai refusé aux pauvres ce qu’ils demandaient, Si j’ai fait languir les yeux de la veuve,
17Heb ik ooit alleen mijn brood genuttigd, En de wees daarvan niet mee laten eten?
17Si j’ai mangé seul mon pain, Sans que l’orphelin en ait eu sa part,
18Neen, van kindsbeen af bracht ik hem groot als een vader, Van de moederschoot af ben ik haar leidsman geweest.
18Moi qui l’ai dès ma jeunesse élevé comme un père, Moi qui dès ma naissance ai soutenu la veuve;
19Heb ik ooit een zwerver zonder kleding gezien, Of een arme zonder bedekking;
19Si j’ai vu le malheureux manquer de vêtements, L’indigent n’avoir point de couverture,
20Hebben zijn lendenen mij niet moeten zegenen, Werd hij niet verwarmd door de wol mijner schapen?
20Sans que ses reins m’aient béni, Sans qu’il ait été réchauffé par la toison de mes agneaux;
21Indien ik mijn hand tegen een rechtschapene ophief, Omdat ik bemerkte, dat men mij in de poort ondersteunde:
21Si j’ai levé la main contre l’orphelin, Parce que je me sentais un appui dans les juges;
22Dan valle mijn schouder uit het gewricht, Worde mijn arm uit het gelid gerukt;
22Que mon épaule se détache de sa jointure, Que mon bras tombe et qu’il se brise!
23Dan treffe mij de verschrikking van God, En ik houde geen stand voor zijn Majesteit!
23Car les châtiments de Dieu m’épouvantent, Et je ne puis rien devant sa majesté.
24Indien ik op goud mijn vertrouwen heb gesteld, Het fijnste goud mijn hoop heb genoemd;
24Si j’ai mis dans l’or ma confiance, Si j’ai dit à l’or: Tu es mon espoir;
25Mij verheugd heb ik in de macht van mijn rijkdom, En in de geweldige winst van mijn hand:
25Si je me suis réjoui de la grandeur de mes biens, De la quantité des richesses que j’avais acquises;
26Indien ik heb opgestaard naar de stralende zon, Naar de glanzende maan, die haar weg vervolgde,
26Si j’ai regardé le soleil quand il brillait, La lune quand elle s’avançait majestueuse,
27Zodat mijn hart in het geheim werd verleid, En mijn hand mijn mond heeft gekust
27Et si mon cœur s’est laissé séduire en secret, Si ma main s’est portée sur ma bouche;
28Ook dat zou een halszaak voor het gerecht zijn geweest, Omdat ik God in den hoge had verloochend!
28C’est encore un crime que doivent punir les juges, Et j’aurais renié le Dieu d’en haut!
29Heb ik mij in het ongeluk van mijn vijand verheugd, Of gejubeld, omdat onheil hem trof;
29Si j’ai été joyeux du malheur de mon ennemi, Si j’ai sauté d’allégresse quand les revers l’ont atteint,
30Heb ik mijn gehemelte niet verboden te zondigen, En door een verwensing zijn leven te eisen;
30Moi qui n’ai pas permis à ma langue de pécher, De demander sa mort avec imprécation;
31Hebben mijn tentgenoten niet gezegd: Wie verzadigt zich niet aan het vlees van zijn vijand?
31Si les gens de ma tente ne disaient pas: Où est celui qui n’a pas été rassasié de sa viande?
32De zwerver behoefde niet buiten te overnachten Voor den reiziger heb ik de deuren geopend.
32Si l’étranger passait la nuit dehors, Si je n’ouvrais pas ma porte au voyageur;
33Indien ik mijn misdaad voor de mensen bedekt heb, In mijn boezem mijn schuld heb verborgen,
33Si, comme les hommes, j’ai caché mes transgressions, Et renfermé mes iniquités dans mon sein,
34Omdat ik de grote menigte vreesde, En bang was voor de verachting der geslachten: Dan moge ik verstommen, en de deur niet meer uitgaan,
34Parce que j’avais peur de la multitude, Parce que je craignais le mépris des familles, Me tenant à l’écart et n’osant franchir ma porte…
35Wie zou er dan nog naar mij horen! Zie hier mijn handtekening! De Almachtige antwoorde mij; Mijn beschuldiger schrijve zijn aanklacht neer!
35Oh! Qui me fera trouver quelqu’un qui m’écoute? Voilà ma défense toute signée: Que le Tout-Puissant me réponde! Qui me donnera la plainte écrite par mon adversaire?
36Waarachtig, ik wil ze op mijn schouder nemen Er mij als met een krans mee omhangen;
36Je porterai son écrit sur mon épaule, Je l’attacherai sur mon front comme une couronne;
37Ik zal Hem mijn schreden een voor een tonen, En voor zijn aanschijn treden als een vorst!
37Je lui rendrai compte de tous mes pas, Je m’approcherai de lui comme un prince.
38Indien mijn akker tegen mij klaagde Zijn voren gezamenlijk weenden;
38Si ma terre crie contre moi, Et que ses sillons versent des larmes;
39Indien ik zijn vrucht heb genoten, zonder te betalen, En zijn bezitter liet zuchten:
39Si j’en ai mangé le produit sans l’avoir payée, Et que j’aie attristé l’âme de ses anciens maîtres;
40Dan mogen doornen opschieten inplaats van tarwe, En stinkend onkruid inplaats van gerst! Hier eindigen de woorden van Job.
40Qu’il y croisse des épines au lieu de froment, Et de l’ivraie au lieu d’orge! Fin des paroles de Job.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.