Job
Chapter 38
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Louis Segond 1910
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Nu nam Jahweh het woord, en sprak tot Job in de storm:
1L’Éternel répondit à Job du milieu de la tempête et dit:
2Wie zijt gij, die de Voorzienigheid duister maakt Door woorden zonder verstand?
2Qui est celui qui obscurcit mes desseins Par des discours sans intelligence?
3Omgord uw lenden als een man, Ik zal u vragen stellen, gij moogt Mij leren!
3Ceins tes reins comme un vaillant homme; Je t’interrogerai, et tu m’instruiras.
4Waar waart ge, toen Ik de aarde grondde: Vertel het, zo ge er iets van weet!
4Où étais-tu quand je fondais la terre? Dis-le, si tu as de l’intelligence.
5Wie heeft haar grootte bepaald: gij weet het zo goed; Wie het meetsnoer over haar gespannen?
5Qui en a fixé les dimensions, le sais-tu? Ou qui a étendu sur elle le cordeau?
6Waarop zijn haar zuilen geplaatst, Of wie heeft haar hoeksteen gelegd:
6Sur quoi ses bases sont-elles appuyées? Ou qui en a posé la pierre angulaire,
7Onder het gejuich van het koor der morgensterren, Het jubelen van de zonen Gods?
7Alors que les étoiles du matin éclataient en chants d’allégresse, Et que tous les fils de Dieu poussaient des cris de joie?
8Wie heeft de zee achter deuren gesloten, Toen zij bruisend uit de moederschoot kwam;
8Qui a fermé la mer avec des portes, Quand elle s’élança du sein maternel;
9Toen Ik haar de wolken gaf als een kleed, De nevel als haar windsels;
9Quand je fis de la nuée son vêtement, Et de l’obscurité ses langes;
10Toen Ik haar grenzen heb gesteld, Slagboom en grendels haar gaf;
10Quand je lui imposai ma loi, Et que je lui mis des barrières et des portes;
11Toen Ik sprak: Ge komt tot hier en niet verder, Hier wordt de trots van uw golven gebroken!
11Quand je dis: Tu viendras jusqu’ici, tu n’iras pas au-delà; Ici s’arrêtera l’orgueil de tes flots?
12Hebt gij ooit in uw leven de morgen ontboden, De dageraad zijn plaats bestemd,
12Depuis que tu existes, as-tu commandé au matin? As-tu montré sa place à l’aurore,
13Om de zomen der aarde te bezetten En er vlammen uit te schudden?
13Pour qu’elle saisisse les extrémités de la terre, Et que les méchants en soient secoués;
14Zij flonkert als een kostbare zegelsteen, Wordt bontgeverfd als een kleed,
14Pour que la terre se transforme comme l’argile qui reçoit une empreinte, Et qu’elle soit parée comme d’un vêtement;
15Totdat de stralen hun licht wordt ontnomen, Hun opgeheven arm wordt gebroken.
15Pour que les méchants soient privés de leur lumière, Et que le bras qui se lève soit brisé?
16Zijt ge doorgedrongen tot de bronnen der zee, Hebt ge de bodem van de Oceaan bewandeld;
16As-tu pénétré jusqu’aux sources de la mer? T’es-tu promené dans les profondeurs de l’abîme?
17Zijn u de poorten des doods getoond, De wachters der duisternis u verschenen;
17Les portes de la mort t’ont-elles été ouvertes? As-tu vu les portes de l’ombre de la mort?
18Hebt ge de breedten der aarde omvat: Zeg op, wanneer ge dit allemaal weet!
18As-tu embrassé du regard l’étendue de la terre? Parle, si tu sais toutes ces choses.
19Waar is de weg naar de woning van het licht, En waar heeft de duisternis haar verblijf,
19Où est le chemin qui conduit au séjour de la lumière? Et les ténèbres, où ont-elles leur demeure?
20Zodat gij ze naar hun plaats kunt brengen, En hun de paden naar huis kunt leren?
20Peux-tu les saisir à leur limite, Et connaître les sentiers de leur habitation?
21Ge weet het toch, want toen werdt ge geboren, Het getal van uw jaren is immers zo groot!
21Tu le sais, car alors tu étais né, Et le nombre de tes jours est grand!
22Zijt ge doorgedrongen tot de schuren der sneeuw, Hebt ge de opslagplaatsen van de hagel aanschouwd,
22Es-tu parvenu jusqu’aux amas de neige? As-tu vu les dépôts de grêle,
23Die Ik heb opgespaard voor de tijd van benauwing, Voor de dag van aanval en strijd?
23Que je tiens en réserve pour les temps de détresse, Pour les jours de guerre et de bataille?
24Waar is de weg, waar de kou zich verspreidt, Waar de oostenwind over de aarde giert?
24Par quel chemin la lumière se divise-t-elle, Et le vent d’orient se répand-il sur la terre?
25Wie heeft voor de stortvloed kanalen gegraven, En paden voor de donderwolken,
25Qui a ouvert un passage à la pluie, Et tracé la route de l’éclair et du tonnerre,
26Om regen te geven op onbewoond land, Op steppen, waar zich geen mens bevindt;
26Pour que la pluie tombe sur une terre sans habitants, Sur un désert où il n’y a point d’hommes;
27Om woestijn en wildernis te verzadigen, Uit de dorre grond het gras te doen spruiten?
27Pour qu’elle abreuve les lieux solitaires et arides, Et qu’elle fasse germer et sortir l’herbe?
28Heeft de regen een vader, Of wie heeft de druppels van de dauw verwekt;
28La pluie a-t-elle un père? Qui fait naître les gouttes de la rosée?
29Uit wiens schoot is het ijs te voorschijn gekomen, Wie heeft het rijp in de lucht gebaard?
29Du sein de qui sort la glace, Et qui enfante le frimas du ciel,
30De wateren worden hard als steen, De vlakte van de Afgrond sluit zich aaneen!
30Pour que les eaux se cachent comme une pierre, Et que la surface de l’abîme soit enchaînée?
31Kunt gij de banden der Plejaden knopen, Of de boeien van de Orion slaken;
31Noues-tu les liens des Pléiades, Ou détaches-tu les cordages de l’Orion?
32Kunt gij de maan op tijd naar buiten doen treden, Leidt gij de Beer met zijn jongen?
32Fais-tu paraître en leur temps les signes du zodiaque, Et conduis-tu la Grande Ourse avec ses petits?
33Schrijft gij de hemel de wetten voor, Stelt gij zijn macht over de aarde vast;
33Connais-tu les lois du ciel? Règles-tu son pouvoir sur la terre?
34Verheft gij uw stem tot de wolken, Gehoorzaamt ù de watervloed?
34Élèves-tu la voix jusqu’aux nuées, Pour appeler à toi des torrents d’eaux?
35Zendt gij de bliksems uit, en ze gaan; Zeggen ze tot u: Hier zijn we terug?
35Lances-tu les éclairs? Partent-ils? Te disent-ils: Nous voici?
36Wie heeft inzicht aan den reiger gegeven Verstand geschonken aan den haan;
36Qui a mis la sagesse dans le cœur, Ou qui a donné l’intelligence à l’esprit?
37Wie telt met wijsheid de wolken af, En giet de zakken van de hemel leeg:
37Qui peut avec sagesse compter les nuages, Et verser les outres des cieux,
38Wanneer de bodem hard is als ijzer, De kluiten aan elkander kleven?
38Pour que la poussière se mette à ruisseler, Et que les mottes de terre se collent ensemble?
39Jaagt gij een prooi voor de leeuwin, Stilt gij de honger der welpen,
no verse 39 in this text
40Wanneer ze in hun holen liggen, Of loeren tussen de struiken?
no verse 40 in this text
41Wie geeft ze tegen de avond haar buit, Wanneer haar jongen tot de Godheid roepen, En zonder voedsel rond blijven snuffelen, Op zoek naar spijs?
no verse 41 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.