Job 38
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Nu nam Jahweh het woord, en sprak tot Job in de storm:
1Respondens autem Dominus Job de turbine, dixit:
2Wie zijt gij, die de Voorzienigheid duister maakt Door woorden zonder verstand?
2[Quis est iste involvens sententias sermonibus imperitis?
3Omgord uw lenden als een man, Ik zal u vragen stellen, gij moogt Mij leren!
3Accinge sicut vir lumbos tuos: interrogabo te, et responde mihi.
4Waar waart ge, toen Ik de aarde grondde: Vertel het, zo ge er iets van weet!
4Ubi eras quando ponebam fundamenta terræ? indica mihi, si habes intelligentiam.
5Wie heeft haar grootte bepaald: gij weet het zo goed; Wie het meetsnoer over haar gespannen?
5Quis posuit mensuras ejus, si nosti? vel quis tetendit super eam lineam?
6Waarop zijn haar zuilen geplaatst, Of wie heeft haar hoeksteen gelegd:
6Super quo bases illius solidatæ sunt? aut quis demisit lapidem angularem ejus,
7Onder het gejuich van het koor der morgensterren, Het jubelen van de zonen Gods?
7cum me laudarent simul astra matutina, et jubilarent omnes filii Dei?
8Wie heeft de zee achter deuren gesloten, Toen zij bruisend uit de moederschoot kwam;
8Quis conclusit ostiis mare, quando erumpebat quasi de vulva procedens;
9Toen Ik haar de wolken gaf als een kleed, De nevel als haar windsels;
9cum ponerem nubem vestimentum ejus, et caligine illud quasi pannis infantiæ obvolverem?
10Toen Ik haar grenzen heb gesteld, Slagboom en grendels haar gaf;
10Circumdedi illud terminis meis, et posui vectem et ostia,
11Toen Ik sprak: Ge komt tot hier en niet verder, Hier wordt de trots van uw golven gebroken!
11et dixi: Usque huc venies, et non procedes amplius, et hic confringes tumentes fluctus tuos.
12Hebt gij ooit in uw leven de morgen ontboden, De dageraad zijn plaats bestemd,
12Numquid post ortum tuum præcepisti diluculo, et ostendisti auroræ locum suum?
13Om de zomen der aarde te bezetten En er vlammen uit te schudden?
13Et tenuisti concutiens extrema terræ, et excussisti impios ex ea?
14Zij flonkert als een kostbare zegelsteen, Wordt bontgeverfd als een kleed,
14Restituetur ut lutum signaculum, et stabit sicut vestimentum:
15Totdat de stralen hun licht wordt ontnomen, Hun opgeheven arm wordt gebroken.
15auferetur ab impiis lux sua, et brachium excelsum confringetur.
16Zijt ge doorgedrongen tot de bronnen der zee, Hebt ge de bodem van de Oceaan bewandeld;
16Numquid ingressus es profunda maris, et in novissimis abyssi deambulasti?
17Zijn u de poorten des doods getoond, De wachters der duisternis u verschenen;
17Numquid apertæ sunt tibi portæ mortis, et ostia tenebrosa vidisti?
18Hebt ge de breedten der aarde omvat: Zeg op, wanneer ge dit allemaal weet!
18Numquid considerasti latitudinem terræ? indica mihi, si nosti, omnia:
19Waar is de weg naar de woning van het licht, En waar heeft de duisternis haar verblijf,
19in qua via lux habitet, et tenebrarum quis locus sit:
20Zodat gij ze naar hun plaats kunt brengen, En hun de paden naar huis kunt leren?
20ut ducas unumquodque ad terminos suos, et intelligas semitas domus ejus.
21Ge weet het toch, want toen werdt ge geboren, Het getal van uw jaren is immers zo groot!
21Sciebas tunc quod nasciturus esses, et numerum dierum tuorum noveras?
22Zijt ge doorgedrongen tot de schuren der sneeuw, Hebt ge de opslagplaatsen van de hagel aanschouwd,
22Numquid ingressus es thesauros nivis, aut thesauros grandinis aspexisti,
23Die Ik heb opgespaard voor de tijd van benauwing, Voor de dag van aanval en strijd?
23quæ præparavi in tempus hostis, in diem pugnæ et belli?
24Waar is de weg, waar de kou zich verspreidt, Waar de oostenwind over de aarde giert?
24Per quam viam spargitur lux, dividitur æstus super terram?
25Wie heeft voor de stortvloed kanalen gegraven, En paden voor de donderwolken,
25Quis dedit vehementissimo imbri cursum, et viam sonantis tonitrui,
26Om regen te geven op onbewoond land, Op steppen, waar zich geen mens bevindt;
26ut plueret super terram absque homine in deserto, ubi nullus mortalium commoratur;
27Om woestijn en wildernis te verzadigen, Uit de dorre grond het gras te doen spruiten?
27ut impleret inviam et desolatam, et produceret herbas virentes?
28Heeft de regen een vader, Of wie heeft de druppels van de dauw verwekt;
28Quis est pluviæ pater? vel quis genuit stillas roris?
29Uit wiens schoot is het ijs te voorschijn gekomen, Wie heeft het rijp in de lucht gebaard?
29De cujus utero egressa est glacies? et gelu de cælo quis genuit?
30De wateren worden hard als steen, De vlakte van de Afgrond sluit zich aaneen!
30In similitudinem lapidis aquæ durantur, et superficies abyssi constringitur.
31Kunt gij de banden der Plejaden knopen, Of de boeien van de Orion slaken;
31Numquid conjungere valebis micantes stellas Pleiadas, aut gyrum Arcturi poteris dissipare?
32Kunt gij de maan op tijd naar buiten doen treden, Leidt gij de Beer met zijn jongen?
32Numquid producis luciferum in tempore suo, et vesperum super filios terræ consurgere facis?
33Schrijft gij de hemel de wetten voor, Stelt gij zijn macht over de aarde vast;
33Numquid nosti ordinem cæli, et pones rationem ejus in terra?
34Verheft gij uw stem tot de wolken, Gehoorzaamt ù de watervloed?
34Numquid elevabis in nebula vocem tuam, et impetus aquarum operiet te?
35Zendt gij de bliksems uit, en ze gaan; Zeggen ze tot u: Hier zijn we terug?
35Numquid mittes fulgura, et ibunt, et revertentia dicent tibi: Adsumus?
36Wie heeft inzicht aan den reiger gegeven Verstand geschonken aan den haan;
36Quis posuit in visceribus hominis sapientiam? vel quis dedit gallo intelligentiam?
37Wie telt met wijsheid de wolken af, En giet de zakken van de hemel leeg:
37Quis enarrabit cælorum rationem? et concentum cæli quis dormire faciet?
38Wanneer de bodem hard is als ijzer, De kluiten aan elkander kleven?
38Quando fundebatur pulvis in terra, et glebæ compingebantur?
39Jaagt gij een prooi voor de leeuwin, Stilt gij de honger der welpen,
39Numquid capies leænæ prædam, et animam catulorum ejus implebis,
40Wanneer ze in hun holen liggen, Of loeren tussen de struiken?
40quando cubant in antris, et in specubus insidiantur?
41Wie geeft ze tegen de avond haar buit, Wanneer haar jongen tot de Godheid roepen, En zonder voedsel rond blijven snuffelen, Op zoek naar spijs?
41Quis præparat corvo escam suam, quando pulli ejus clamant ad Deum, vagantes, eo quod non habeant cibos?]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.