Job
Chapter 41
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Clementine Vulgate…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Vangt gij den Krokodil met de angel, Bindt ge hem de tong met koorden vast;
1[Non quasi crudelis suscitabo eum: quis enim resistere potest vultui meo?
2Steekt ge hem een stok door de neus, Haalt ge een ring door zijn kaken;
2Quis ante dedit mihi, ut reddam ei? omnia quæ sub cælo sunt, mea sunt.
3Zal hij heel veel tot u smeken, Of lieve woordjes tot u richten?
3Non parcam ei, et verbis potentibus, et ad deprecandum compositis.
4Zal hij een contract met u sluiten, En neemt ge hem voorgoed in uw dienst;
4Quis revelabit faciem indumenti ejus? et in medium oris ejus quis intrabit?
5Kunt ge met hem als met een vogeltje spelen, Bindt ge hem voor uw dochtertjes vast;
5Portas vultus ejus quis aperiet? per gyrum dentium ejus formido.
6Kunnen uw makkers hem verhandelen, En onder de venters verdelen?
6Corpus illius quasi scuta fusilia, compactum squamis se prementibus.
7Kunt ge zijn huid met spiesen beplanten, Zijn kop met een vissersharpoen?
7Una uni conjungitur, et ne spiraculum quidem incedit per eas.
8Probeer eens, de hand op hem te leggen, Maar denk aan de strijd; ge doet het zeker niet weer,
8Una alteri adhærebit, et tenentes se nequaquam separabuntur.
9Want uw hoop komt vast bedrogen uit! Reeds bij zijn aanblik wordt men neergeslagen
9Sternutatio ejus splendor ignis, et oculi ejus ut palpebræ diluculi.
10Er is niemand vermetel genoeg, hem te wekken. Wie houdt voor hem stand,
10De ore ejus lampades procedunt, sicut tædæ ignis accensæ.
11Wie treedt tegen hem op, en blijft ongedeerd: Onder de ganse hemel Is er niet één!
11De naribus ejus procedit fumus, sicut ollæ succensæ atque ferventis.
12Ik wil niet zwijgen over zijn leden, Maar spreken over zijn nooit geëvenaarde kracht.
12Halitus ejus prunas ardere facit, et flamma de ore ejus egreditur.
13Wie heeft ooit zijn kleed opgelicht, Is doorgedrongen tussen zijn dubbel kuras?
13In collo ejus morabitur fortitudo, et faciem ejus præcedit egestas.
14Wie opent de dubbele deur van zijn muil; Rondom zijn tanden verschrikking!
14Membra carnium ejus cohærentia sibi: mittet contra eum fulmina, et ad locum alium non ferentur.
15Zijn rug is als rijen van schilden, Die als een muur van steen hem omsluiten
15Cor ejus indurabitur tamquam lapis, et stringetur quasi malleatoris incus.
16Het een ligt vlak naast het ander, Geen tocht kan er door;
16Cum sublatus fuerit, timebunt angeli, et territi purgabuntur.
17Ze grijpen aan elkander vast, En sluiten onscheidbaar aaneen.
17Cum apprehenderit eum gladius, subsistere non poterit, neque hasta, neque thorax:
18Door zijn niezen danst het licht, Zijn ogen zijn als de wimpers van het morgenrood;
18reputabit enim quasi paleas ferrum, et quasi lignum putridum æs.
19Uit zijn muil steken toortsen, En schieten vuurvonken uit;
19Non fugabit eum vir sagittarius: in stipulam versi sunt ei lapides fundæ.
20Er stijgt rook uit zijn neusgaten op, Als uit een dampende en ziedende ketel.
20Quasi stipulam æstimabit malleum, et deridebit vibrantem hastam.
21Zijn adem zet kolen in vuur, Uit zijn bek stijgen vlammen omhoog;
21Sub ipso erunt radii solis, et sternet sibi aurum quasi lutum.
22In zijn nek zetelt kracht, Ontsteltenis danst voor hem uit;
22Fervescere faciet quasi ollam profundum mare, et ponet quasi cum unguenta bulliunt.
23Zijn vleeskwabben sluiten stevig aaneen, Onbeweeglijk aan hem vastgegoten;
23Post eum lucebit semita: æstimabit abyssum quasi senescentem.
24Zijn hart is vast als een kei, Hecht als een onderste molensteen:
24Non est super terram potestas quæ comparetur ei, qui factus est ut nullum timeret.
25Voor zijn majesteit sidderen de baren Trekken de golven der zee zich terug.
25Omne sublime videt: ipse est rex super universos filios superbiæ.]
26Het zwaard, dat hem treft, is er niet tegen bestand, Geen lans, geen speer en geen schicht.
no verse 26 in this text
27Hij rekent het ijzer voor stro, Voor vermolmd hout het koper;
no verse 27 in this text
28Geen pijlen jagen hem op de vlucht, Slingerstenen zijn hem maar kaf;
no verse 28 in this text
29Een werpspies schijnt hem een riet, Hij lacht om het suizen der knots.
no verse 29 in this text
30Onder zijn buik zitten puntige scherven, Als een dorsslee krabt hij ermee op het slijk;
no verse 30 in this text
31Hij doet de afgrond koken als een ketel, Verandert de zee in een wierookpan;
no verse 31 in this text
32Achter hem aan een lichtend spoor, Als had de afgrond zilveren lokken.
no verse 32 in this text
33Zijns gelijke is er op aarde niet; Geschapen, om niemand te vrezen;
no verse 33 in this text
34Op al wat trots is, ziet hij neer, Hij is koning over alle verscheurende beesten!
no verse 34 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.