Job
Chapter 41
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Chinese Union Vers…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chinese Union Version, punctuated (Traditional)
1Vangt gij den Krokodil met de angel, Bindt ge hem de tong met koorden vast;
1你能用魚鉤釣上鱷魚嗎? 能用繩子壓下牠的舌頭嗎?
2Steekt ge hem een stok door de neus, Haalt ge een ring door zijn kaken;
2你能用繩索穿牠的鼻子嗎? 能用鉤穿牠的腮骨嗎?
3Zal hij heel veel tot u smeken, Of lieve woordjes tot u richten?
3牠豈向你連連懇求, 說柔和的話嗎?
4Zal hij een contract met u sluiten, En neemt ge hem voorgoed in uw dienst;
4豈肯與你立約, 使你拿牠永遠作奴僕嗎?
5Kunt ge met hem als met een vogeltje spelen, Bindt ge hem voor uw dochtertjes vast;
5你豈可拿牠當雀鳥玩耍嗎? 豈可為你的幼女將牠拴住嗎?
6Kunnen uw makkers hem verhandelen, En onder de venters verdelen?
6搭夥的 漁夫 豈可拿牠當貨物嗎? 能把牠分給商人嗎?
7Kunt ge zijn huid met spiesen beplanten, Zijn kop met een vissersharpoen?
7你能用倒鉤槍扎滿牠的皮, 能用魚叉叉滿牠的頭嗎?
8Probeer eens, de hand op hem te leggen, Maar denk aan de strijd; ge doet het zeker niet weer,
8你按手在牠身上,想與牠爭戰, 就不再這樣行吧!
9Want uw hoop komt vast bedrogen uit! Reeds bij zijn aanblik wordt men neergeslagen
9人指望捉拿牠是徒然的; 一見牠,豈不喪膽嗎?
10Er is niemand vermetel genoeg, hem te wekken. Wie houdt voor hem stand,
10沒有那麼兇猛的人敢惹牠。 這樣,誰能在我面前站立得住呢?
11Wie treedt tegen hem op, en blijft ongedeerd: Onder de ganse hemel Is er niet één!
11誰先給我甚麼,使我償還呢? 天下 萬物 都是我的。
12Ik wil niet zwijgen over zijn leden, Maar spreken over zijn nooit geëvenaarde kracht.
12論到鱷魚的肢體和其大力,並美好的骨骼, 我不能緘默不言。
13Wie heeft ooit zijn kleed opgelicht, Is doorgedrongen tussen zijn dubbel kuras?
13誰能剝牠的外衣? 誰能進牠上下牙骨之間呢?
14Wie opent de dubbele deur van zijn muil; Rondom zijn tanden verschrikking!
14誰能開牠的腮頰? 牠牙齒四圍是可畏的。
15Zijn rug is als rijen van schilden, Die als een muur van steen hem omsluiten
15牠以堅固的鱗甲為可誇, 緊緊合閉,封得嚴密。
16Het een ligt vlak naast het ander, Geen tocht kan er door;
16這鱗甲一一相連, 甚至氣不得透入其間,
17Ze grijpen aan elkander vast, En sluiten onscheidbaar aaneen.
17都是互相聯絡、膠結, 不能分離。
18Door zijn niezen danst het licht, Zijn ogen zijn als de wimpers van het morgenrood;
18牠打噴嚏就發出光來; 牠眼睛好像早晨的光線。
19Uit zijn muil steken toortsen, En schieten vuurvonken uit;
19從牠口中發出燒着的火把, 與飛迸的火星;
20Er stijgt rook uit zijn neusgaten op, Als uit een dampende en ziedende ketel.
20從牠鼻孔冒出煙來, 如燒開的鍋和 點着 的蘆葦。
21Zijn adem zet kolen in vuur, Uit zijn bek stijgen vlammen omhoog;
21牠的氣點着煤炭, 有火焰從牠口中發出。
22In zijn nek zetelt kracht, Ontsteltenis danst voor hem uit;
22牠頸項中存着勁力; 在牠面前的都恐嚇蹦跳。
23Zijn vleeskwabben sluiten stevig aaneen, Onbeweeglijk aan hem vastgegoten;
23牠的肉塊互相聯絡, 緊貼其身,不能搖動。
24Zijn hart is vast als een kei, Hecht als een onderste molensteen:
24牠的心結實如石頭, 如下磨石那樣結實。
25Voor zijn majesteit sidderen de baren Trekken de golven der zee zich terug.
25牠一起來,勇士都驚恐, 心裏慌亂,便都昏迷。
26Het zwaard, dat hem treft, is er niet tegen bestand, Geen lans, geen speer en geen schicht.
26人若用刀,用槍,用標槍, 用尖槍扎牠,都是無用。
27Hij rekent het ijzer voor stro, Voor vermolmd hout het koper;
27牠以鐵為乾草, 以銅為爛木。
28Geen pijlen jagen hem op de vlucht, Slingerstenen zijn hem maar kaf;
28箭不能 恐嚇牠 使牠逃避; 彈石在牠看為碎稭。
29Een werpspies schijnt hem een riet, Hij lacht om het suizen der knots.
29棍棒算為禾稭; 牠嗤笑短槍颼的響聲。
30Onder zijn buik zitten puntige scherven, Als een dorsslee krabt hij ermee op het slijk;
30牠肚腹下 如 尖瓦片; 牠如釘耙經過淤泥。
31Hij doet de afgrond koken als een ketel, Verandert de zee in een wierookpan;
31牠使深淵開滾如鍋, 使洋海如鍋中的膏油。
32Achter hem aan een lichtend spoor, Als had de afgrond zilveren lokken.
32牠行的路隨後發光, 令人想深淵如同白髮。
33Zijns gelijke is er op aarde niet; Geschapen, om niemand te vrezen;
33在地上沒有像牠造的那樣, 無所懼怕。
34Op al wat trots is, ziet hij neer, Hij is koning over alle verscheurende beesten!
34凡高大的,牠無不藐視; 牠在驕傲的水族上作王。

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.