Job 38
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Nu nam Jahweh het woord, en sprak tot Job in de storm:
1ALLORA il Signore rispose a Giobbe da un turbo, e disse:
2Wie zijt gij, die de Voorzienigheid duister maakt Door woorden zonder verstand?
2Chi è costui, che oscura il consiglio Con ragionamenti senza scienza?
3Omgord uw lenden als een man, Ik zal u vragen stellen, gij moogt Mij leren!
3Deh! cigniti i lombi come un valente uomo, Ed io ti farò delle domande, e tu insegnami.
4Waar waart ge, toen Ik de aarde grondde: Vertel het, zo ge er iets van weet!
4Ove eri, quando io fondava la terra? Dichiaralo, se hai conoscimento ed intelletto.
5Wie heeft haar grootte bepaald: gij weet het zo goed; Wie het meetsnoer over haar gespannen?
5Chi ha disposte le misure di essa, se tu il sai? Ovvero chi ha steso il regolo sopra essa?
6Waarop zijn haar zuilen geplaatst, Of wie heeft haar hoeksteen gelegd:
6Sopra che sono state fondate le sue basi? Ovvero, chi pose la sua pietra angolare?
7Onder het gejuich van het koor der morgensterren, Het jubelen van de zonen Gods?
7Quando le stelle della mattina cantavano tutte insieme, E tutti i figliuoli di Dio giubilavano?
8Wie heeft de zee achter deuren gesloten, Toen zij bruisend uit de moederschoot kwam;
8E chi rinchiuse il mare con porte Quando fu tratto fuori, ed uscì della matrice?
9Toen Ik haar de wolken gaf als een kleed, De nevel als haar windsels;
9Quando io posi le nuvole per suo vestimento, E la caligine per sue fasce,
10Toen Ik haar grenzen heb gesteld, Slagboom en grendels haar gaf;
10E determinai sopra esso il mio statuto, E gli posi attorno sbarre e porte,
11Toen Ik sprak: Ge komt tot hier en niet verder, Hier wordt de trots van uw golven gebroken!
11E dissi: Tu verrai fin qua, e non passerai più innanzi; E qui si fermerà l'alterezza delle tue onde?
12Hebt gij ooit in uw leven de morgen ontboden, De dageraad zijn plaats bestemd,
12Hai tu, da che tu sei in vita, comandato alla mattina? Ed hai tu mostrato all'alba il suo luogo?
13Om de zomen der aarde te bezetten En er vlammen uit te schudden?
13Per occupar l'estremità della terra, E far che gli empi se ne dileguino?
14Zij flonkert als een kostbare zegelsteen, Wordt bontgeverfd als een kleed,
14E far che la terra si muti in diverse forme , come argilla stampata; E che quelle si appresentino alla vista come un vestimento?
15Totdat de stralen hun licht wordt ontnomen, Hun opgeheven arm wordt gebroken.
15E che la luce di queste cose sia divietata agli empi, E che il braccio altiero sia rotto?
16Zijt ge doorgedrongen tot de bronnen der zee, Hebt ge de bodem van de Oceaan bewandeld;
16Sei tu entrato infino a' gorghi del mare, E sei tu passeggiato nel fondo dell'abisso?
17Zijn u de poorten des doods getoond, De wachters der duisternis u verschenen;
17Le porte della morte ti son esse scoperte, Ed hai tu vedute le porte dell'ombra della morte?
18Hebt ge de breedten der aarde omvat: Zeg op, wanneer ge dit allemaal weet!
18Hai tu compresa la larghezza della terra? Dichiaralo, se tu la conosci tutta.
19Waar is de weg naar de woning van het licht, En waar heeft de duisternis haar verblijf,
19Quale è la via del luogo ove dimora la luce? E dov' è il luogo delle tenebre?
20Zodat gij ze naar hun plaats kunt brengen, En hun de paden naar huis kunt leren?
20Perchè tu vada a prendere essa luce, e la meni al termine del suo corso , E conosca i sentieri della sua casa?
21Ge weet het toch, want toen werdt ge geboren, Het getal van uw jaren is immers zo groot!
21Sì, tu il sai; perciocchè allora nascesti, E il numero de' tuoi giorni è grande.
22Zijt ge doorgedrongen tot de schuren der sneeuw, Hebt ge de opslagplaatsen van de hagel aanschouwd,
22Sei tu entrato dentro a' tesori della neve, Ed hai tu vedute le conserve della gragnuola,
23Die Ik heb opgespaard voor de tijd van benauwing, Voor de dag van aanval en strijd?
23La quale io riserbo per lo tempo del nemico, Per lo giorno dell'incontro, e della battaglia?
24Waar is de weg, waar de kou zich verspreidt, Waar de oostenwind over de aarde giert?
24Per qual via scoppia la fiamma, E il vento orientale si spande egli in su la terra?
25Wie heeft voor de stortvloed kanalen gegraven, En paden voor de donderwolken,
25Chi ha fatti de' condotti alla piena delle acque, E delle vie a' lampi de' tuoni?
26Om regen te geven op onbewoond land, Op steppen, waar zich geen mens bevindt;
26Per far piovere in su la terra, ove non è niuno; E in sul deserto, nel quale non abita uomo alcuno?
27Om woestijn en wildernis te verzadigen, Uit de dorre grond het gras te doen spruiten?
27Per satollare il luogo desolato e deserto; E per farvi germogliar l'erba pullulante?
28Heeft de regen een vader, Of wie heeft de druppels van de dauw verwekt;
28La pioggia ha ella un padre? Ovvero, chi ha generate le stille della rugiada?
29Uit wiens schoot is het ijs te voorschijn gekomen, Wie heeft het rijp in de lucht gebaard?
29Del cui ventre è uscito il ghiaccio, E chi ha generata la brina del cielo?
30De wateren worden hard als steen, De vlakte van de Afgrond sluit zich aaneen!
30Chi fa che le acque si nascondano, e divengano come una pietra; E che la superficie dell'abisso si rapprenda?
31Kunt gij de banden der Plejaden knopen, Of de boeien van de Orion slaken;
31Puoi tu legare le delizie delle Gallinelle, Ovvero sciogliere le attrazioni dell'Orione?
32Kunt gij de maan op tijd naar buiten doen treden, Leidt gij de Beer met zijn jongen?
32Puoi tu fare uscire i segni settentrionali al tempo loro, E condur fuori Arturo co' suoi figli?
33Schrijft gij de hemel de wetten voor, Stelt gij zijn macht over de aarde vast;
33Conosci tu gli ordini costituiti de' cieli? Hai tu stabilito il lor reggimento sopra la terra?
34Verheft gij uw stem tot de wolken, Gehoorzaamt ù de watervloed?
34Puoi tu, alzando la tua voce alla nuvola, Far che una piena d'acqua ti copra?
35Zendt gij de bliksems uit, en ze gaan; Zeggen ze tot u: Hier zijn we terug?
35Puoi tu mandare i folgori, Sì che vadano e ti dicano: Eccoci?
36Wie heeft inzicht aan den reiger gegeven Verstand geschonken aan den haan;
36Chi ha messa la sapienza nell'interior dell'uomo? Ovvero chi ha dato il senno alla mente di esso?
37Wie telt met wijsheid de wolken af, En giet de zakken van de hemel leeg:
37Chi annovera le nuvole con sapienza? E chi posa i barili del cielo;
38Wanneer de bodem hard is als ijzer, De kluiten aan elkander kleven?
38Dopo che la polvere è stata stemperata, come un metallo fonduto; E le zolle si son rigiunte?
39Jaagt gij een prooi voor de leeuwin, Stilt gij de honger der welpen,
no verse 39 in this text
40Wanneer ze in hun holen liggen, Of loeren tussen de struiken?
no verse 40 in this text
41Wie geeft ze tegen de avond haar buit, Wanneer haar jongen tot de Godheid roepen, En zonder voedsel rond blijven snuffelen, Op zoek naar spijs?
no verse 41 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.