Job 33
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Luister nu, Job, naar mijn rede, En leen het oor aan heel mijn betoog.
1Ora dunque, Giobbe, ascolta, ti prego, i miei ragionamenti, E porgi gli orecchi a tutte le mie parole.
2Zie, ik heb mijn mond geopend, Mijn tong in mijn gehemelte spreekt;
2Ecco, ora io ho aperta la mia bocca, La mia lingua parla nel mio palato.
3Mijn hart stort woorden van wijsheid uit, Mijn lippen verkonden duidelijke taal!
3Le mie parole saranno secondo la dirittura del mio cuore; E le mie labbra proferiranno scienza pura.
4De geest van God heeft mij gemaakt, De adem van den Almachtige mij het leven geschonken;
4Lo Spirito di Dio mi ha fatto, E l'alito dell'Onnipotente mi ha data la vita.
5Antwoord mij dus, zo ge kunt; Houd u gereed, stel u tegen mij op!
5Se tu puoi, rispondimi; Mettiti in ordine contro a me, e presentati pure.
6Ik ben dus voor God aan u gelijk, Ook ik ben gekneed uit leem:
6Ecco, io sono a Dio, come tu; Anch'io sono stato tratto dal fango.
7Dus behoeft u geen vrees voor mij te verschrikken Mijn hand niet zwaar u te drukken.
7Ecco, il mio spavento non ti sgomenterà, E la mia mano non ti sarà grave addosso.
8Ge hebt voor mijn eigen oren verklaard, En ik heb uw woorden verstaan:
8Tu hai pur detto, udendolo io, Ed io ho intesa la voce delle parole:
9“Ik ben rein, zonder zonde, Ik ben zuiver, op mij rust geen schuld!”
9Io son puro, senza misfatto; Io son netto, e non vi è iniquità in me;
10“Toch vindt Hij klachten tegen mij, En behandelt mij als zijn vijand;
10Ecco, egli trova delle occasioni contro a me; Egli mi reputa per suo nemico;
11Hij steekt mijn voeten in het blok, Bespiedt al mijn gangen.
11Egli ha messi i miei piedi ne' ceppi, Egli spia tutti i miei sentieri.
12Zie, als ik roep, antwoordt Hij niet Want God is groter dan een mens!”
12Ecco, in questo tu non sei stato giusto; io ti risponderò; Perciocchè Iddio è vie maggiore che l'uomo.
13Hoe hebt ge Hem durven verwijten, Dat Hij op geen van uw woorden antwoord geeft?
13Perchè hai tu conteso con lui, Perchè egli non dichiara tutte le sue ragioni?
14Het is, omdat God slechts eenmaal spreekt, En het geen tweede keer herhaalt:
14Egli è ben vero , che talora Iddio parla una volta, E due, a chi non vi ha atteso.
15In een droom, in een nachtelijk visioen In de sluimering op de sponde.
15In sogno, in vision notturna, Quando il più profondo sonno cade in su gli uomini, Quando essi son tutti sonnacchiosi sopra i lor letti;
16Dan opent Hij het oor van de mensen, En verschrikt hen door zijn visioenen,
16Allora egli apre loro l'orecchio, E suggella il lor castigo;
17Om den mens van trots te weerhouden, Den man voor hoogmoed te behoeden;
17Per istorre l'uomo dalle opere sue , E per far che la superbia dell'uomo non apparisca più;
18Om zo zijn ziel voor de groeve te bewaren, Zijn leven voor de gang naar het graf.
18Per iscampar l'anima sua dalla fossa, E far che la sua vita non passi per la spada.
19Dan kastijdt Hij hem door smart op zijn sponde, Door een koorts in zijn beenderen zonder eind,
19Ma talora altresì l'uomo è castigato con dolori sopra il suo letto, E tutte le sue ossa di grave malattia ;
20Zodat zijn leven van het brood gaat walgen, Zijn ziel van de begeerlijkste spijs;
20E la sua vita gli fa abbominare il cibo, E l'anima sua la vivanda desiderabile;
21Zijn vlees slinkt zienderogen weg, Zijn gebeente, eens onzichtbaar, ligt bloot.
21La sua carne è consumata, talchè non apparisce più; E le sue ossa, che prima non si vedevano, spuntano fuori;
22Maar zelfs als zijn ziel het graf al nabij is, Zijn leven het oord van de doden: Zo hij besluit in zijn hart, zich tot God te keren En hij zijn dwaasheid erkent:
22E l'anima sua si accosta alla fossa, E la vita sua a' mali mortali.
23Dan treedt er voor hem een engel op, Een tolk, een uit de duizend. Dan wijst hij den mens op zijn plicht,
23Ma se allora vi è appresso di lui alcun messo, un parlatore, Uno d'infra mille, Per dichiarare all'uomo il suo dovere;
24Ontfermt zich zijner, en spreekt: Laat hem toch niet in de groeve dalen, Ik heb zijn losprijs gevonden
24Iddio gli farà grazia, e dirà: Riscuotilo, che non iscenda alla fossa; Io ho trovato il riscatto.
25Zijn vlees worde frisser dan in zijn jeugd, Hij kere tot zijn jonkheid terug!
25La sua carne diventerà morbida, più che non è in fanciullezza; Egli ritornerà a' dì della sua giovanezza.
26Dan laat God Zich verbidden; genadig neemt Hij hem aan, Doet hem zijn aanschijn met jubel aanschouwen, En schenkt den mens zijn gerechtigheid terug.
26Egli supplicherà a Dio, ed egli gli sarà placato, E gli farà veder la sua faccia con giubilo, E renderà all'uomo la sua giustizia.
27Dan juicht hij het uit voor de mensen, en zegt: Ik heb gezondigd, het recht verdraaid, Maar Hij heeft het niet op mij gewroken!
27Ed esso poi si volgerà verso gli uomini, e dirà: Io avea peccato, ed avea pervertita la dirittura, E ciò non mi ha punto giovato.
28Zo behoedt Hij zijn ziel voor de gang naar het graf, En verlustigt zijn leven zich in het licht!
28Così Iddio riscoterà l'anima sua, che non passi nella fossa, E la vita sua vedrà la luce.
29Zie, dit alles doet God Tweemaal, driemaal met een mens:
29Ecco, Iddio opera tutte queste cose Due e tre volte inverso l'uomo;
30Hij brengt zijn leven terug van het graf, En bestraalt hem met het levenslicht!
30Per ritrarre l'anima sua dalla fossa, Acciocchè sia illuminata della luce de' viventi.
31Luister dus, Job, en hoor naar mij; Zwijg stil, en laat het spreken aan mij.
31Attendi, o Giobbe, ascoltami; Taci, ed io parlerò.
32Hebt ge dan iets te zeggen, antwoord mij; Spreek dan, want ik geef u gaarne gelijk.
32Se tu hai alcuna cosa da dire, rispondimi; Parla, perciocchè io desidero giustificarti.
33Zo niet, luister naar mij, En zwijg, ik zal u wijsheid leren!
33Se no, ascoltami tu; Taci, ed io t'insegnerò la sapienza.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.