Job
Chapter 8
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Nu nam Bildad van Sjóeach het woord, en sprak:
1E BILDAD Suhita rispose, e disse:
2Hoe lang nog gaat ge zó voort, En zullen uw woorden als een stormwind loeien?
2Infino a quando proferirai tali ragionamenti, E saranno le parole della tua bocca come un vento impetuoso?
3Zou God het recht soms verkrachten, De Almachtige de gerechtigheid schenden:
3Iddio pervertirebbe egli il giudicio? L'Onnipotente pervertirebbe egli la giustizia?
4Wanneer uw kinderen tegen Hem hebben gezondigd, Dan heeft Hij hun slechts hun misdaad vergolden!
4Se i tuoi figliuoli hanno peccato contro a lui, Egli altresì li ha dati in mano del lor misfatto.
5Maar als gij uw toevlucht neemt tot God, En rein en oprecht tot den Almachtige smeekt:
5Ma quant'è a te, se tu ricerchi Iddio, E chiedi grazia all'Onnipotente;
6Dan zal Hij van stonde af over u waken, En schenkt Hij u weer een rechtschapen gezin;
6Se tu sei puro e diritto, Certamente egli si risveglierà di presente in favor tuo, E farà prosperare il tuo giusto abitacolo.
7Dan schijnt uw vroeger lot slechts gering, Wordt ver door uw nieuwe staat overtroffen.
7E la tua condizione di prima sarà stata piccola, E l'ultima diventerà grandissima.
8Ja, vraag het maar aan het voorgeslacht Geef acht op de bevinding van hun vaderen!
8Perciocchè domanda pur le età primiere, E disponti ad informarti da' padri loro;
9Want wij zijn van gisteren, en weten niets, Ons leven op aarde is enkel een schaduw;
9Imperocchè, quant'è a noi, siamo sol da ieri in qua, E non abbiamo intendimento; Perchè i nostri giorni son come un'ombra sopra la terra;
10Maar zij zullen u leren, het u vertellen, En woorden spreken uit hun hart:
10Non insegnerannoti essi, e non parlerannoti, E non trarranno essi fuori ragionamenti dal cuor loro?
11Schiet het riet op buiten het moeras, Groeien de biezen buiten het water?
11Il giunco sorgerà egli senza pantano? L'erba de' prati crescerà ella senz'acqua?
12Het wordt afgesneden, terwijl het nog bloeit, En verdort vóór ieder ander gewas:
12E pure, mentre è ancor verde, e non è ancora segata, Si secca avanti ogni altra erba.
13Zo vergaat het allen, die God vergeten, Wordt de hoop van de bozen te schande!
13Tali son le vie di tutti quelli che dimenticano Iddio, E così perirà la speranza dell'ipocrita;
14Een herfstdraad is zijn vertrouwen, Zijn toeverlaat een spinneweb;
14La cui speranza sarà troncata, E la cui confidanza sarà una casa di ragnolo.
15Hij steunt op zijn web, maar dit houdt het niet uit, Hij grijpt het vast, maar het houdt geen stand.
15Egli si appoggerà in su la casa sua, ma quella non istarà ferma; Egli si atterrà ad essa, ma ella non istarà in piè.
16Vol sappen staat hij in de zon, Zijn ranken verspreiden zich over zijn hof;
16Egli è verdeggiante al sole, E i suoi rami si spandono fuori in sul giardino, nel quale è piantato;
17Zijn wortels kronkelen zich over het grint, En tussen de stenen grijpt hij zich vast.
17Le sue radici s'intralciano presso alla fonte, Egli mira la casa di pietra.
18Maar rukt men hem weg van zijn plaats, Dan verloochent ze hem:ik heb u nooit gezien!
18Ma, se alcuno lo manderà in ruina, divellendolo dal luogo suo , Questo lo rinnegherà dicendo: Io non ti vidi giammai .
19Zo vergaat zijn leven door de mot Uit het stof ervan schieten anderen op.
19Ecco, tale è l'allegrezza della sua via, E dalla polvere ne germoglieranno altri.
20Neen, God verwerpt den brave niet, En reikt den boze geen hand.
20Ecco, Iddio non disdegna l' uomo intiero; Ma altresì non presta la mano a' maligni.
21Nog wordt uw mond met lachen vervuld, En uw lippen met jubel;
21Ancora empierà egli la tua bocca di riso, E le tue labbra di giubilo.
22Maar uw haters worden met schande bedekt, De tent der bozen verdwijnt!
22Quelli che ti odiano saranno vestiti di vergogna; Ma il tabernacolo degli empi non sarà più .

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.