Job
Chapter 28
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Lutherbibel 1912
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1Zeker, er is een plaats, waaruit het zilver komt, Een oord, waar het goud wordt gewassen,
1Es hat das Silber seine Gänge, und das Gold, das man läutert seinen Ort.
2Het ijzer uit de bodem gehaald, De steen tot koper gesmolten;
2Eisen bringt man aus der Erde, und aus den Steinen schmelzt man Erz.
3Waar men in de uiterste duisternis doordringt, En de diepste plekken doorvorst. In de rotsen, duister en somber.
3Man macht der Finsternis ein Ende und findet zuletzt das Gestein tief verborgen.
4Worden schachten gehakt door een volk, dat er niet hoort, Dat door de wandelaars wordt vergeten, Daar ver van de mensen hangt en zweeft;
4Man bricht einen Schacht von da aus, wo man wohnt; darin hangen und schweben sie als die Vergessenen, da kein Fuß hin tritt, fern von den Menschen.
5En de aarde, waaruit het brood ontspruit, Wordt in haar ingewanden omgewoeld als door vuur.
5Man zerwühlt unten die Erde wie mit Feuer, darauf doch oben die Speise wächst.
6Haar rotsen zijn de plaats van saffier, Haar stof bevat goud;
6Man findet Saphir an etlichen Orten, und Erdenklöße, da Gold ist.
7De arend kent er de weg niet heen, Het valkenoog bespeurt hem niet;
7Den Steig kein Adler erkannt hat und kein Geiersauge gesehen;
8De roofdieren betreden hem niet, De luipaard gaat er niet heen.
8es hat das stolze Wild nicht darauf getreten und ist kein Löwe darauf gegangen.
9De mens slaat zijn hand aan de harde steen, Woelt de bergen om van hun grondslag af,
9Auch legt man die Hand an die Felsen und gräbt die Berge um.
10Breekt gangen in de rotsen uit, Niets kostbaars ontsnapt aan zijn oog;
10Man reißt Bäche aus den Felsen; und alles, was köstlich ist, sieht das Auge.
11Hij zoekt de bronnen der stromen af, En brengt wat verborgen lag aan het licht.
11Man wehrt dem Strome des Wassers und bringt, das darinnen verborgen ist, ans Licht.
12Maar de wijsheid, waar is zij te vinden, En waar is het oord van het inzicht?
12Wo will man aber die Weisheit finden? und wo ist die Stätte des Verstandes?
13De mens kent er de weg niet heen, In het land der levenden bevindt ze zich niet.
13Niemand weiß, wo sie liegt, und sie wird nicht gefunden im Lande der Lebendigen.
14De afgrond roept: In mij is ze niet! De zee herhaalt: Ze is niet bij mij!
14Die Tiefe spricht: “Sie ist in mir nicht”; und das Meer spricht: “Sie ist nicht bei mir”.
15Zij wordt niet gekocht voor het fijnste goud, Geen zilver gewogen, om haar te betalen;
15Man kann nicht Gold um sie geben noch Silber darwägen, sie zu bezahlen.
16Zij wordt niet geschat tegen goud van Ofir, Tegen kostbare onyx, noch saffier;
16Es gilt ihr nicht gleich ophirisch Gold oder köstlicher Onyx und Saphir.
17Geen goud, geen glaswerk kan haar evenaren, Geen gouden vaas is haar prijs.
17Gold und Glas kann man ihr nicht vergleichen noch um sie golden Kleinod wechseln.
18Paarlen en kristal zijn naast haar niet in tel, Het vinden der wijsheid gaat dat van koralen te boven;
18Korallen und Kristall achtet man gegen sie nicht. Die Weisheit ist höher zu wägen denn Perlen.
19Topaas van Koesj kan het niet bij haar halen, Het zuiverst goud weegt niet tegen haar op.
19Topaz aus dem Mohrenland wird ihr nicht gleich geschätzt, und das reinste Gold gilt ihr nicht gleich.
20De wijsheid, waar komt zij vandaan; Het inzicht, waar is zijn plaats?
20Woher kommt denn die Weisheit? und wo ist die Stätte des Verstandes?
21Zij ligt verborgen voor het oog van al wat leeft, Verscholen voor de vogels in de lucht;
21Sie ist verhohlen vor den Augen aller Lebendigen, auch den Vögeln unter dem Himmel.
22De onderwereld en dood roepen uit: Onze oren hebben enkel van haar bij geruchte gehoord.
22Der Abgrund und der Tod sprechen: “Wir haben mit unsern Ohren ihr Gerücht gehört.”
23Het is God, die de weg naar haar kent, Hij alleen weet, waar zij toeft.
23Gott weiß den Weg dazu und kennt ihre Stätte.
24Want Hij blikte tot aan de grenzen der aarde, Zag al wat onder de hemel bestond:
24Denn er sieht die Enden der Erde und schaut alles, was unter dem Himmel ist.
25Toen Hij het gewicht van de wind bepaalde, De maat voor het water bestemde;
25Da er dem Winde sein Gewicht machte und setzte dem Wasser sein gewisses Maß;
26Toen Hij de regen zijn wet gaf, En de donder zijn weg.
26da er dem Regen ein Ziel machte und dem Blitz und Donner den Weg:
27Toen aanschouwde Hij haar en verkondigde haar, Kende Hij haar en doorgrondde haar;
27da sah er sie und verkündigte sie, bereitete sie und ergründete sie
28Maar Hij sprak tot den mens: Zie, de vreze des Heren is wijsheid, En het kwade te mijden is inzicht!
28und sprach zu den Menschen: Siehe, die Furcht des Herrn, das ist Weisheit; und meiden das Böse, das ist Verstand.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.