Job 34
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1Elihoe vervolgde en sprak:
1Und es hob an Elihu und sprach:
2Gij wijzen, hoort naar mijn rede; Verstandigen, luistert naar mij:
2Hört, ihr Weisen, meine Rede, und ihr Verständigen, merkt auf mich!
3Want het oor toetst de woorden, Zoals het gehemelte spijzen keurt.
3Denn das Ohr prüft die Rede, und der Mund schmeckt die Speise.
4We moeten zelf onderzoeken, wat recht is, Onder elkander beslissen wat goed is.
4Laßt uns ein Urteil finden, daß wir erkennen unter uns, was gut sei.
5Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtschapen, Maar God onthoudt mij mijn recht;
5Denn Hiob hat gesagt: “Ich bin gerecht, und Gott weigert mir mein Recht;
6Ondanks mijn recht moet ik lijden, Mijn wonde is ongeneeslijk, al ben ik niet schuldig!
6ich muß lügen, ob ich wohl recht habe, und bin gequält von meinen Pfeilen, ob ich wohl nichts verschuldet habe.”
7Is er wel iemand als Job, Die godslastering als water drinkt,
7Wer ist ein solcher Hiob, der da Spötterei trinkt wie Wasser
8Die het gezelschap van boosdoeners opzoekt En met slechte lieden omgang heeft?
8und auf dem Wege geht mit den Übeltätern und wandelt mit gottlosen Leuten?
9Want hij zegt: Wat baat het den mens, In God zijn behagen te stellen!
9Denn er hat gesagt: “Wenn jemand schon fromm ist, so gilt er doch nichts bei Gott.”
10Verstandige lieden, hoort dus naar mij: Onmogelijk; God doet geen kwaad, de Almachtige geen onrecht;
10Darum hört mir zu, ihr weisen Leute: Es sei ferne, daß Gott sollte gottlos handeln und der Allmächtige ungerecht;
11Want Hij vergeldt de mensen hun daden, Behandelt iedereen naar zijn gedrag!
11sondern er vergilt dem Menschen, darnach er verdient hat, und trifft einen jeglichen nach seinem Tun.
12Waarachtig, God kan geen onrecht begaan, De Almachtige het recht niet verkrachten!
12Ohne zweifel, Gott verdammt niemand mit Unrecht, und der Allmächtige beugt das Recht nicht.
13Wie heeft de aarde onder zijn leiding gesteld Wie Hem met de hele wereld belast?
13Wer hat, was auf Erden ist, verordnet, und wer hat den ganzen Erdboden gesetzt?
14Trekt Hij hun geest tot Zich terug, Neemt Hij tot Zich hun levensadem,
14So er nun an sich dächte, seinen Geist und Odem an sich zöge,
15Dan sterft onmiddellijk alle vlees, Keert de mens terug tot stof!
15so würde alles Fleisch miteinander vergehen, und der Mensch würde wieder zu Staub werden.
16Zijt ge verstandig, luister hiernaar, En leen het oor aan mijn rede:
16Hast du nun Verstand, so höre das und merke auf die Stimme meiner Reden.
17Kan Hij, die het recht zou haten, besturen; Kan de Alrechtvaardige onrecht bedrijven?
17Kann auch, der das Recht haßt regieren? Oder willst du den, der gerecht und mächtig ist, verdammen?
18Hij, die tot den koning zegt: Belial Tot de edelen: Booswicht;
18Sollte einer zum König sagen: “Du heilloser Mann!” und zu den Fürsten: “Ihr Gottlosen!”?
19Die vorsten niet voortrekt, Den arme niet achterstelt bij den rijke. Neen, ze zijn allen het werk zijner handen,
19Und er sieht nicht an die Person der Fürsten und kennt den Herrlichen nicht mehr als den Armen; denn sie sind alle seiner Hände Werk.
20En sterven plotseling, midden in de nacht; Rijken worden opgeschrikt, en gaan heen, Machtigen verdwijnen, al steekt men er de hand niet naar uit.
20Plötzlich müssen die Leute sterben und zu Mitternacht erschrecken und vergehen; die Mächtigen werden weggenommen nicht durch Menschenhand.
21Want zijn ogen zijn op de wegen der mensen gericht, En Hij ziet al hun schreden;
21Denn seine Augen sehen auf eines jeglichen Wege, und er schaut alle ihre Gänge.
22Er bestaat geen duister of donker, Waarin de boosdoeners zich kunnen verbergen.
22Es ist keine Finsternis noch Dunkel, daß sich da möchten verbergen die Übeltäter.
23Neen, geen vaste tijd voor den mens, Om voor God ten gericht te verschijnen;
23Denn er darf auf den Menschen nicht erst lange achten, daß er vor Gott ins Gericht komme.
24Hij verplettert den machtige zonder verhoor, En stelt anderen voor hem in de plaats.
24Er bringt die Stolzen um, ohne erst zu forschen, und stellt andere an ihre Statt:
25Hij geeft dus acht op hun daden, Hij stort ze omver in de nacht;
25darum daß er kennt ihre Werke und kehrt sie um des Nachts, daß sie zerschlagen werden.
26Ze worden verbrijzeld tot straf voor hun boosheid, Hij tuchtigt ze op de plaats, waar allen het zien.
26Er straft sie ab wie die Gottlosen an einem Ort, da man es sieht:
27Want van Hem zijn ze afgeweken, En hebben op geen van zijn paden gelet;
27darum daß sie von ihm weggewichen sind und verstanden seiner Wege keinen,
28Ze hebben het kermen der armen tot Hem doen komen, Zodat Hij het klagen der ellendigen hoort.
28daß das Schreien der Armen mußte vor ihn kommen und er das Schreien der Elenden hörte.
29Hield Hij Zich stil, wie zou ze beschuldigen Bedekte Hij zijn gelaat, wie wees hen terecht? Neen, Hij houdt volk en eenling in het oog,
29Wenn er Frieden gibt, wer will verdammen? und wenn er das Antlitz verbirgt, wer will ihn schauen unter den Völkern und Leuten allzumal?
30Opdat geen boze regeert, het volk niet zondigt.
30Denn er läßt nicht über sie regieren einen Heuchler, das Volk zu drängen.
31Maar als de boze tot God zegt: Ik heb gedwaald, Doch ik wil niet meer zondigen;
31Denn zu Gott muß man sagen: “Ich habe gebüßt, ich will nicht übel tun.
32Onderricht mij, totdat ik tot inzicht kom; Heb ik misdaan, ik doe het niet meer!
32Habe ich's nicht getroffen, so lehre du mich's besser; habe ich Unrecht gehandelt, ich will's nicht mehr tun.”
33Moet Hij, volgens u, het dan toch maar vergelden, Omdat gij zijn gerechtigheid anders misprijst? Gij hebt te beslissen, niet ik; Spreek dus uit, wat ge meent!
33Soll er nach deinem Sinn vergelten? Denn du verwirfst alles; du hast zu wählen, und nicht ich. Weißt du nun was, so sage an.
34Verstandige mensen zullen mij zeggen, Met den wijzen man, die mij hoort:
34Verständige Leute werden zu mir sagen und ein weiser Mann, der mir zuhört:
35Job heeft niet verstandig gesproken, Zijn rede getuigt niet van inzicht.
35“Hiob redet mit Unverstand, und seine Worte sind nicht klug.”
36Waarachtig, Job zal ten einde toe worden beproefd, Om zijn antwoorden, boosdoeners waardig;
36O, daß Hiob versucht würde bis ans Ende! darum daß er sich zu ungerechten Leuten kehrt.
37Want hij heeft bij zijn zonde de misdaad gevoegd, Ons te honen, en tegen God een grote mond op te zetten!
37Denn er hat über seine Sünde noch gelästert; er treibt Spott unter uns und macht seiner Reden viel wider Gott.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.