Job 37
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1Ja, hierover siddert mijn hart, En springt op van zijn plaats.
1Des entsetzt sich mein Herz und bebt.
2Hoort, hoort het bulderen van zijn stem, Het gebrom, dat komt uit zijn mond.
2O höret doch, wie der Donner zürnt, und was für Gespräch von seinem Munde ausgeht!
3Langs heel de hemel slingert Hij zijn bliksem, En tot de grenzen der aarde.
3Er läßt ihn hinfahren unter allen Himmeln, und sein Blitz scheint auf die Enden der Erde.
4Zijn stem gromt achter Hem aan, Hij dondert met zijn machtige kreet; Hij houdt de bliksem niet terug, Wanneer zijn stem zich laat horen.
4Ihm nach brüllt der Donner, und er donnert mit seinem großen Schall; und wenn sein Donner gehört wird, kann man's nicht aufhalten.
5Maar ook wonderen wrocht God door zijn stem, Doet grote, onbegrijpelijke dingen!
5Gott donnert mit seinem Donner wunderbar und tut große Dinge und wird doch nicht erkannt.
6Hij spreekt tot de sneeuw: Val op aarde neer; Tot de regenstromen: Weest hevig!
6Er spricht zum Schnee, so ist er bald auf Erden, und zum Platzregen, so ist der Platzregen da mit Macht.
7Dan sluit Hij alle mensen op, Opdat ieder sterveling zijn werk erkent;
7Aller Menschen Hand hält er verschlossen, daß die Leute lernen, was er tun kann.
8Ook de dieren zoeken hun schuilplaats op, En leggen zich neer in hun holen.
8Das wilde Tier geht in seine Höhle und bleibt an seinem Ort.
9Uit zijn kamer komt de wervelwind, Uit zijn voorraadschuren de koude;
9Von Mittag her kommt Wetter und von Mitternacht Kälte.
10Door de adem Gods wordt het ijs gestolten, De watervlakte in boeien gelegd;
10Vom Odem Gottes kommt Frost, und große Wasser ziehen sich eng zusammen.
11Het zwerk belaadt Hij met dampen, En spreidt zijn lichtende wolken uit.
11Die Wolken beschwert er mit Wasser, und durch das Gewölk bricht sein Licht.
12Ze zweven naar alle kanten rond, En gaan, zoals Hij het beschikt, Om te volbrengen, wat Hij hun gebiedt, Op de oppervlakte der aarde:
12Er kehrt die Wolken, wo er hin will, daß sie schaffen alles, was er ihnen gebeut, auf dem Erdboden:
13Is het tot straf, ze volbrengen zijn wil; Is het tot zegen, ze voeren hem uit.
13es sei zur Züchtigung über ein Land oder zur Gnade, läßt er sie kommen.
14Job, schenk er uw aandacht aan, Houd op, en let op Gods wonderen!
14Da merke auf, Hiob, stehe und vernimm die Wunder Gottes!
15Begrijpt ge, hoe God ze gebiedt, En het licht van zijn wolken doet flitsen;
15Weißt du wie Gott solches über sie bringt und wie er das Licht aus seinen Wolken läßt hervorbrechen?
16Begrijpt ge iets van het zweven der wolken, Van de wonderwerken van den Alwetende?
16Weißt du wie sich die Wolken ausstreuen, die Wunder des, der vollkommen ist an Wissen?
17Gij, wiens kleren te warm zijn, Als de aarde amechtig van de zuidenwind ligt:
17Du, des Kleider warm sind, wenn das Land still ist vom Mittagswinde,
18Kunt gij, evenals Hij, het zwerk tot een uitspansel strijken, Vast als een spiegel van gegoten metaal?
18ja, du wirst mit ihm den Himmel ausbreiten, der fest ist wie ein gegossener Spiegel.
19Laat mij weten, wat wij Hem zullen zeggen, Wij, die door de duisternis hulpeloos staan!
19Zeige uns, was wir ihm sagen sollen; denn wir können nichts vorbringen vor Finsternis.
20Zal deze wijken wanneer ik het zeg; Worden weggevaagd, als de mens het beveelt?
20Wer wird ihm erzählen, daß ich wolle reden? So jemand redet, der wird verschlungen.
21Neen, thans aanschouwt men geen licht, Het is door de wolken verduisterd; Maar een wind steekt op, en bezemt ze weg:
21Jetzt sieht man das Licht nicht, das am Himmel hell leuchtet; wenn aber der Wind weht, so wird's klar.
22En uit het Noorden breekt de goudglans door! God is van ontzagwekkende luister omringd:
22Von Mitternacht kommt Gold; um Gott her ist schrecklicher Glanz.
23Wij dringen dus niet tot den Almachtige door! Hij is groot in kracht en gerechtigheid; Hij is de Heer van het recht, die nimmer verdrukt!
23Den Allmächtigen aber können wir nicht finden, der so groß ist von Kraft; das Recht und eine gute Sache beugt er nicht.
24Daarom moeten de mensen Hem vrezen, Doorgronden Hem al de wijzen niet!
24Darum müssen ihn fürchten die Leute; und er sieht keinen an, wie weise sie sind.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.