Job
Chapter 37
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Baibal Olcim (Matu…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Baibal Olcim (Matupi Chin)
1Ja, hierover siddert mijn hart, En springt op van zijn plaats.
1He dongah ka lungbuei lakueng tih a hmuen lamloh cungpet.
2Hoort, hoort het bulderen van zijn stem, Het gebrom, dat komt uit zijn mond.
2A ol dongkah khoponah te hnatun hnatun. A ka lamloh caitawknah thoeng.
3Langs heel de hemel slingert Hij zijn bliksem, En tot de grenzen der aarde.
3Vaan boeih hmuiah a hlah tih a vangnah loh diklai hmoi duela pawk.
4Zijn stem gromt achter Hem aan, Hij dondert met zijn machtige kreet; Hij houdt de bliksem niet terug, Wanneer zijn stem zich laat horen.
4A hnukkah a kawk ol khaw a hoemdamnah ol neh hum tih a ol a yaak vaengah rhaek uelh sak boeh.
5Maar ook wonderen wrocht God door zijn stem, Doet grote, onbegrijpelijke dingen!
5Pathen loh a ol neh khobaerhambae a saii khungdaeng tih hum dae m'ming uh moenih.
6Hij spreekt tot de sneeuw: Val op aarde neer; Tot de regenstromen: Weest hevig!
6Vuelsong neh khotlan khonal te, 'Diklai ah om saeh,’ a ti vaengah khotlan khonal khaw a sarhi tak.
7Dan sluit Hij alle mensen op, Opdat ieder sterveling zijn werk erkent;
7Amah kutngo hlang boeih ming sak ham hlang boeih kah kut te rhodaek a soei pah.
8Ook de dieren zoeken hun schuilplaats op, En leggen zich neer in hun holen.
8Te vaengah mulhing khaw a khui la kun tih a khuisaek ah kho a sak.
9Uit zijn kamer komt de wervelwind, Uit zijn voorraadschuren de koude;
9Cangpalam te imkhui lamloh, khosik te tlangpuei lamloh ha thoeng.
10Door de adem Gods wordt het ijs gestolten, De watervlakte in boeien gelegd;
10Pathen kah hiil lamloh rhaelnu khaw a khueh tih tui daang mangdaeng mangtok la om.
11Het zwerk belaadt Hij met dampen, En spreidt zijn lichtende wolken uit.
11Khomai te cingtui loh a rhih sak tih cingmai loh amah kah vangnah te a taekyak.
12Ze zweven naar alle kanten rond, En gaan, zoals Hij het beschikt, Om te volbrengen, wat Hij hun gebiedt, Op de oppervlakte der aarde:
12Te khaw diklai kah lunglai hman ah a uen boeih te saii hamla a niing, a niing dongah kuluk la a hil.
13Is het tot straf, ze volbrengen zijn wil; Is het tot zegen, ze voeren hem uit.
13Te te caitueng lam khaw, a khohmuen ham khaw, sitlohnah ham khaw a thoeng sak.
14Job, schenk er uw aandacht aan, Houd op, en let op Gods wonderen!
14Job, he he hnakaeng lah. Pai lamtah Pathen kah khobaerhambae he yakming lah.
15Begrijpt ge, hoe God ze gebiedt, En het licht van zijn wolken doet flitsen;
15Te rhoek soah Pathen loh a khueh tih a cingmai kah vangnah a sae te na ming a?
16Begrijpt ge iets van het zweven der wolken, Van de wonderwerken van den Alwetende?
16Poeknah rhuemtuet, mangvawt khomai a haainah te na ming a?
17Gij, wiens kleren te warm zijn, Als de aarde amechtig van de zuidenwind ligt:
17Tuithim loh khohmuen a mong sak vaengah na himbai te aka bae sak,
18Kunt gij, evenals Hij, het zwerk tot een uitspansel strijken, Vast als een spiegel van gegoten metaal?
18Hmaidan a hlawn bangla khomong a thah la amah taengah na nulh thai aya?
19Laat mij weten, wat wij Hem zullen zeggen, Wij, die door de duisternis hulpeloos staan!
19Amah taengah metla n'thui ham khaw kaimih tueng lah. Hmaisuep hmai ah n'tawn uh thai pawt oe.
20Zal deze wijken wanneer ik het zeg; Worden weggevaagd, als de mens het beveelt?
20Hlang loh a dolh hamla thui cakhaw ka thui bangla amah taengah a tae pa aya?
21Neen, thans aanschouwt men geen licht, Het is door de wolken verduisterd; Maar een wind steekt op, en bezemt ze weg:
21Tahae ah khaw vangnah a hmuh uh moenih. A aa te khohli loh a yawn tih a caihcil hnukkah khomong dongah tueng.
22En uit het Noorden breekt de goudglans door! God is van ontzagwekkende luister omringd:
22Tlangpuei lamkah sui te mueithennah rhih om Pathen taengla pawk.
23Wij dringen dus niet tot den Almachtige door! Hij is groot in kracht en gerechtigheid; Hij is de Heer van het recht, die nimmer verdrukt!
23Tlungthang te thadueng a len dongah a tiktamnah m'hmuh lek moenih. Duengnah khaw a cungkuem dongah hlang a phaep moenih.
24Daarom moeten de mensen Hem vrezen, Doorgronden Hem al de wijzen niet!
24Hlang rhoek loh amah te a rhih uh tangloeng dongah lungbuei aka cueih rhoek takuem khaw a sawt moenih,” a ti.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.