Job 19
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Job antwoordde, en sprak:
1І відказав Йов і рече:
2Hoe lang nog blijft gij mij krenken, En mij onder woorden verpletteren?
2Докіль мучити мете душу мою й торгати мене словами?
3Tien keer beschimpt gij mij reeds, En kwelt gij mij schaamteloos.
3Вже ж ви й так десять раз соромили мене; чи ж вам не стидно, так тїснити мене?
4Zelfs al had ik mij werkelijk misdragen, Dan raakt het wangedrag mij alleen;
4Коли я й справдї провинився, то провина моя на менї зостанесь.
5Gij mist het recht, een grote mond tegen mij op te zetten, Mijn schande mij te verwijten!
5А коли вам так любо, величатись надо мною й докоряти менї осоромленнєм моїм,
6Erkent toch eindelijk, dat God mij kastijdt, En mij in zijn net heeft verstrikt!
6То знайте, що се Бог поверг мене ʼд землї й обвів кругом мене сїть свою.
7Zie, ik roep: “Geweld!” maar vind geen verhoring, Ik roep om hulp: mij geschiedt geen recht!
7Ось, я кричу: кривда! й нїхто не чує; я голошу, а нема суду (справедливого).
8Hij heeft mijn weg versperd: ik kan niet voorbij, En duisternis op mijn paden gelegd;
8Він перегородив менї путь, і я не маю переходу, й розпростер темноту на стежки мої.
9Mijn eer heeft Hij mij ontroofd, De kroon mij van het hoofd gerukt.
9Зволїк із мене славу мою й зняв вінець із голови моєї.
10Hij heeft mij van alle kant ondermijnd: en daar ga ik heen; Mijn hoop ontworteld als een boom,
10Навкруги опустошив мене, й я відходжу; й, неначе деревину, вирвав надїю мою.
11Zijn gramschap tegen mij laten woeden, Mij als zijn vijand behandeld.
11Він запалав проти мене гнївом своїм, і в одно повернув мене з ворогами своїми.
12Als één man rukken zijn benden aan, En banen hun weg naar mij heen; Ze legeren zich rond mijn tent, Ze zijn zonder genade!
12Полки його притягли купою й справили дорогу собі на мене, та обсїли кругом намет мій.
13Mijn broeders houden zich verre van mij, Mijn bekenden zijn vreemden voor mij;
13Браттє моє оддалив від мене, а знакомі мої цураються мене.
14Mijn verwanten verdwenen, Mijn gasten zijn mij vergeten.
14Рід мій покинув мене, й знакомі мої забули про мене.
15Mijn slavinnen zien mij aan voor een vreemde, Ik ben een onbekende voor haar;
15Домівники мої й служебки мої вважають усї за чужого мене; приходнем став я в очах їх.
16Ik roep mijn slaaf: hij geeft mij geen antwoord, Zelfs al smeek ik er om.
16Кличу раба мого, — він не озивається; мушу моїми його благати устами.
17Mijn vrouw walgt van mijn adem, En ik stink voor mijn zonen;
17Жінка гидує диханнєм моїм, і менї треба вмоляти її згадкою на дїти від тїла мого.
18Zelfs de kinderen minachten mij, En brutaliseren mij, als ik optreed.
18Ба й малі дїти мене за покидьку вважають: я підведусь, а вони збиткуються надо мною.
19Al mijn getrouwen verafschuwen mij, Die ik liefhad, keren zich van mij af;
19Всї, що до грудї моєї тулились, гордують мною, а ті, кого я любив, проти мене встали.
20Mijn vlees teert weg in mijn huid Met mijn tanden knaag ik mijn beenderen af.
20Поприсихали кістки до кожі й до тїла мого, зосталась тільки кожа около зубів моїх:
21Erbarming, erbarming: gij tenminste, mijn vrienden, Want de hand van God heeft mij geraakt;
21О, змилосердьтесь, помилуйте мене хоч ви, мої друзї, бо рука Божа побила мене!
22Waarom mij als een hert vervolgen, Nooit verzadigd aan mijn vlees!
22За що й ви ще мене женете, так як Бог, наче б не могли насититись тїлом моїм?
23O, werden mijn woorden opgeschreven, Opgetekend in een boek,
23О, коли б то слова мої написано! в книзї коли б можна їх начертати рильцем залїзним на олові, —
24Met een stift van ijzer en lood Voor eeuwig op een rots gegrift:
24Про вічні часи на каменї видовбати!
25Ik weet, dat mijn Verlosser leeft, En ten leste op de aarde verschijnt;
25Я знаю — Відкупитель мій живе, й він у послїдний день підійме з пороху отсю розпадаючуся кожу мою,
26Dat ik mij zal oprichten achter mijn huid, En van mijn vlees uit, God zal aanschouwen!
26І я в тїлї мойму побачу Бога.
27Ja, ik zal Hem aanschouwen, Mijn ogen zullen Hem zien, maar niet meer als vijand; Mijn nieren smachten in mijn schoot,
27Я самий вбачу його; мої очі, не очі когось другого, побачать його. Аж ниє серце в грудї моїй!
28En wanneer gij dan zegt: Hoe vervolgen we hem, Welk voorwendsel zullen we tegen hem vinden;
28Вам про мене сказати б: За що нам гнати його? Як коли б корінь злого знайдено в менї!
29Ducht dan het zwaard voor uzelf, Want dan zal de Gramschap de bozen verdelgen! Om te weten, of er gerechtigheid is!
29О, бійтесь меча (Божого), бо меч той мстить неправду, й знайте, що є суд Божий!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.