Job 10
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Ik walg nu toch van het leven, En laat dus de vrije loop aan mijn klagen; Ik spreek in de bitterheid van mijn ziel,
1Омерзїло душі моїй життє моє; то ж дам я волю смуткові мойму; говорити му в горю душі моєї.
2En zeg tot God: Behandel mij niet als een schuldige; Laat mij weten, waarom Gij tegen mij strijdt!
2Я скажу Богу: Не обвинувачуй мене, а обяви менї, за що мене так переслїдуєш?
3Brengt het U voordeel, dat Gij verdrukt, Dat Gij het werk uwer handen verwerpt, Maar de plannen der bozen begunstigt?
3Чи тобі се добрим видиться, що так пригнїтаєш, що байдуже тобі дїло рук твоїх, а на раду безбожників посилаєш сьвітло?
4Hebt Gij ogen van vlees, Ziet Gij, zoals mensen dat doen;
4Чи в тебе очі людські, чи по людськи ти бачиш?
5Zijn uw dagen als die van een sterveling, Uw jaren als de levensduur van een mens:
5Чи в тебе днї, як людські, й роки твої, як у людини,
6Dat Gij op zoek zijt naar mijn schuld, En naar mijn zonden blijft vorsen,
6Що ти аж шукаєш скази в менї й розвідуєшся, чи є гріх у менї,
7Ofschoon Gij weet, dat ik niet schuldig ben, En niemand mij uit uw hand kan redden?
7Хоч знаєш, що я не проступник, та нїкому ратувати мене з руки твоєї?
8Uw eigen handen hebben mij gevormd en gewrocht, En nu zoudt Gij me weer gaan vernielen?
8Руки твої трудились надо мною, й виробили ввесь мій образ навкруги, — й ти губиш мене?
9Bedenk toch, dat Gij mij als leem hebt gekneed: En Gij voert mij terug naar het stof?
9Спогадай, що ти наче глину, обробив мене, а тепер у порох обертаєш мене?
10Hebt Gij me niet als melk laten vloeien, En als kaas laten stremmen;
10Чи ж не ти вилив мене молоком і згустив мене сиром.
11Mij niet bekleed met huid en met vlees, Met beenderen en spieren samengeweven?
11Скірою й тілом зʼодяг мене, а кістьми й жилами скріпив мене,
12In uw goedheid hebt Gij mij het leven geschonken Uw zorg heeft mijn adem bewaakt,
12Життє й милость дарував менї, а опіка твоя хоронила духа мого?
13Maar dit was uw heimelijke toeleg daarbij, Ik weet, dat Gij dit hadt besloten:
13Але й те скривав ти в серцї свойму, — я знаю, що се й було в тебе (на думцї), —
14Als ik zondigde, mij in het oog te houden, En mij mijn misdaad niet te vergeven;
14Що, як я провиню, ти взнаєш і не зіставиш гріха мого без кари.
15Was ik schuldig: Wee mij! En was ik onschuldig, Toch zou ik mijn hoofd niet mogen verheffen, Zat van smaad en gedrenkt met ellende!
15Горе менї, коли я провинив! а хоч я й без гріха, то не зважуся підвести голови моєї. О, я понижений аж надто; то ж зглянься на біду мою;
16Hief ik het op, Gij zoudt jacht op mij maken, als een luipaard, Mij telkens uw wondere macht laten voelen,
16Вона щораз більша. Ти женеш за мною, мов лев, і знов нападаєш на мене й чудним (силою) показуєш себе в менї.
17Uw vijandschap jegens mij weer vernieuwen; Gij zoudt uw toorn op mij nog verdubbelen, Gij riept troepen en legers tegen mij op!
17Виводиш нових твоїх сьвідків проти мене; збільшуєш гнїв твій на мене, і біди, щораз нові, стають боєвою лавою проти мене.
18Waarom hebt Gij mij dan uit de schoot laten komen, Gaf ik de geest niet, eer een oog mij aanschouwde?
18І про що вивів єси мене з утроби? Лучше б я вмер був, як мене ще не бачило нї-чиє око;
19Dan was ik nu, als had ik nimmer bestaan, En was van de schoot naar het graf gedragen.
19Нехай би я, як не бувший на сьвітї, з матірнього живота перенесений був у гріб.
20Ach, mijn levensdagen zijn maar gering, Laat mij met rust, dat ik een weinig vreugde beleef,
20Чи ж не мало вже днїв моїх? Перестань же, відступи від мене, щоб я хоч трохи очуняв,
21Eer ik heenga, vanwaar ik niet terugkom, Naar het land van duisternis en schaduw des doods;
21Покіль пійду — й не вернусь — в країну темряви й тїнї смертньої,
22Naar het sombere land, waar wanorde heerst, De dag als een stikdonkere nacht!
22В країну мрака, яким є пітьма тїнї смертньої, де нема порядку, де темрява, як сама чорна пітьма.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.