Job
Chapter 10
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Reina-Valera 1909
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Ik walg nu toch van het leven, En laat dus de vrije loop aan mijn klagen; Ik spreek in de bitterheid van mijn ziel,
1ESTÁ mi alma aburrida de mi vida: daré yo suelta á mi queja sobre mí, hablaré con amargura de mi alma.
2En zeg tot God: Behandel mij niet als een schuldige; Laat mij weten, waarom Gij tegen mij strijdt!
2Diré á Dios: no me condenes; hazme entender por qué pleiteas conmigo.
3Brengt het U voordeel, dat Gij verdrukt, Dat Gij het werk uwer handen verwerpt, Maar de plannen der bozen begunstigt?
3¿Parécete bien que oprimas, que deseches la obra de tus manos, y que resplandezcas sobre el consejo de los impíos?
4Hebt Gij ogen van vlees, Ziet Gij, zoals mensen dat doen;
4¿Tienes tú ojos de carne? ¿ves tú como ve el hombre?
5Zijn uw dagen als die van een sterveling, Uw jaren als de levensduur van een mens:
5¿Son tus días como los días del hombre, ó tus años como los tiempos humanos,
6Dat Gij op zoek zijt naar mijn schuld, En naar mijn zonden blijft vorsen,
6Para que inquieras mi iniquidad, y busques mi pecado,
7Ofschoon Gij weet, dat ik niet schuldig ben, En niemand mij uit uw hand kan redden?
7Sobre saber tú que no soy impío, y que no hay quien de tu mano libre?
8Uw eigen handen hebben mij gevormd en gewrocht, En nu zoudt Gij me weer gaan vernielen?
8Tus manos me formaron y me compusieron todo en contorno: ¿y así me deshaces?
9Bedenk toch, dat Gij mij als leem hebt gekneed: En Gij voert mij terug naar het stof?
9Acuérdate ahora que como á lodo me diste forma: ¿y en polvo me has de tornar?
10Hebt Gij me niet als melk laten vloeien, En als kaas laten stremmen;
10¿No me fundiste como leche, y como un queso me cuajaste?
11Mij niet bekleed met huid en met vlees, Met beenderen en spieren samengeweven?
11Vestísteme de piel y carne, y cubrísteme de huesos y nervios.
12In uw goedheid hebt Gij mij het leven geschonken Uw zorg heeft mijn adem bewaakt,
12Vida y misericordia me concediste, y tu visitación guardó mi espíritu.
13Maar dit was uw heimelijke toeleg daarbij, Ik weet, dat Gij dit hadt besloten:
13Y estas cosas tienes guardadas en tu corazón; yo sé que esto está cerca de ti.
14Als ik zondigde, mij in het oog te houden, En mij mijn misdaad niet te vergeven;
14Si pequé, tú me has observado, y no me limpias de mi iniquidad.
15Was ik schuldig: Wee mij! En was ik onschuldig, Toch zou ik mijn hoofd niet mogen verheffen, Zat van smaad en gedrenkt met ellende!
15Si fuere malo, ¡ay de mí! y si fuere justo, no levantaré mi cabeza, estando harto de deshonra, y de verme afligido.
16Hief ik het op, Gij zoudt jacht op mij maken, als een luipaard, Mij telkens uw wondere macht laten voelen,
16Y subirá de punto, pues me cazas como á león, y tornas á hacer en mí maravillas.
17Uw vijandschap jegens mij weer vernieuwen; Gij zoudt uw toorn op mij nog verdubbelen, Gij riept troepen en legers tegen mij op!
17Renuevas contra mí tus plagas, y aumentas conmigo tu furor, remudándose sobre mí ejércitos.
18Waarom hebt Gij mij dan uit de schoot laten komen, Gaf ik de geest niet, eer een oog mij aanschouwde?
18¿Por qué me sacaste de la matriz? Habría yo espirado, y no me vieran ojos.
19Dan was ik nu, als had ik nimmer bestaan, En was van de schoot naar het graf gedragen.
19Fuera, como si nunca hubiera sido, llevado desde el vientre á la sepultura.
20Ach, mijn levensdagen zijn maar gering, Laat mij met rust, dat ik een weinig vreugde beleef,
20¿No son mis días poca cosa? Cesa pues, y déjame, para que me conforte un poco.
21Eer ik heenga, vanwaar ik niet terugkom, Naar het land van duisternis en schaduw des doods;
21Antes que vaya para no volver, á la tierra de tinieblas y de sombra de muerte;
22Naar het sombere land, waar wanorde heerst, De dag als een stikdonkere nacht!
22Tierra de oscuridad, lóbrega como sombra de muerte, sin orden, y que aparece como la oscuridad misma .

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.