Job
Chapter 16
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Reina-Valera 1909
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Job antwoordde, en sprak:
1Y RESPONDIÓ Job, y dijo:
2Zulke beweringen heb ik nu al meer dan genoeg gehoord; Gij zijt allemaal onuitstaanbare troosters!
2Muchas veces he oído cosas como estas: consoladores molestos sois todos vosotros.
3Komt er dan nooit een eind aan die bluf, Wat prikkelt u toch, om te praten?
3¿Tendrán fin las palabras ventosas? ó ¿qué te animará á responder?
4Ik zou juist eender als gij kunnen spreken, Waart gij in mijn plaats; Mooie woorden tegen u kunnen zeggen, Het hoofd over u kunnen schudden;
4También yo hablaría como vosotros. Ojalá vuestra alma estuviera en lugar de la mía, que yo os tendría compañía en las palabras, y sobre vosotros movería mi cabeza.
5U met de mond kunnen troosten, En met de lippen beklagen.
5Mas yo os alentaría con mis palabras, y la consolación de mis labios apaciguaría el dolor vuestro .
6Als ik spreek, wordt mijn leed er niet door verminderd; Maar wat komt er van mij, als ik zwijg?
6Si hablo, mi dolor no cesa; y si dejo de hablar , no se aparta de mí.
7De kwaadwillige zou mij aanstonds weerloos maken En heel zijn bent greep mij aan;
7Empero ahora me ha fatigado: has tú asolado toda mi compañía.
8Mijn lasteraar zou tegen mij getuigen, Tegen mij optreden, mij aanklagen;
8Tú me has arrugado; testigo es mi flacura, que se levanta contra mí para testificar en mi rostro.
9Zijn toorn verscheurt en bestookt mij, Hij knerst de tanden tegen mij! Mijn tegenstanders zouden mij met hun ogen doorboren,
9Su furor me destrizó, y me ha sido contrario: crujió sus dientes contra mí; contra mí aguzó sus ojos mi enemigo.
10Hun monden tegen mij opensperren, Smadelijk mij op de wangen slaan, Als één man tegen mij optrekken!
10Abrieron contra mí su boca; hirieron mis mejillas con afrenta; contra mí se juntaron todos.
11Want God levert mij aan deugnieten over, En werpt mij in de handen der bozen;
11Hame entregado Dios al mentiroso, y en las manos de los impíos me hizo estremecer
12Ik leefde in vrede: Hij heeft me gebroken, Bij de nek gegrepen en neergesmakt; Hij heeft mij tot zijn doelwit gemaakt,
12Próspero estaba, y desmenuzóme: y arrebatóme por la cerviz, y despedazóme, y púsome por blanco suyo.
13Zijn pijlen snorren om mij heen; Meedogenloos doorboort Hij mijn nieren, En stort mijn gal over de bodem uit.
13Cercáronme sus flecheros, partió mis riñones, y no perdonó: mi hiel derramó por tierra.
14Hij schiet mij de ene bres na de andere, Als een krijgsheld stormt Hij op mij los;
14Quebrantóme de quebranto sobre quebranto; corrió contra mí como un gigante.
15Ik heb een rouwkleed over mijn huid genaaid, Mijn hoorn in het stof laten zakken;
15Yo cosí saco sobre mi piel, y cargué mi cabeza de polvo.
16Mijn gelaat is rood van het wenen, En over mijn wimpers ligt de schaduw des doods.
16Mi rostro está enlodado con lloro, y mis párpados entenebrecidos:
17Maar omdat er geen geweld aan mijn handen kleeft, Klinkt mijn rein gebed naar omhoog:
17A pesar de no haber iniquidad en mis manos, y de haber sido mi oración pura.
18Aarde, houd mijn bloed niet bedekt En smoor mijn jammerklacht niet!
18¡Oh tierra! no cubras mi sangre, y no haya lugar á mi clamor.
19Maar nog leeft mijn Getuige in de hemel, Mijn pleitbezorger in den hoge!
19Mas he aquí que en los cielos está mi testigo, y mi testimonio en las alturas.
20Mijn jammeren dringt door tot God, Mijn oog stort tranen voor zijn aanschijn.
20Disputadores son mis amigos: mas á Dios destilarán mis ojos.
21O, mocht er een scheidsrechter zijn tussen den mens en God, Als tussen den mens en zijn naaste!
21¡Ojalá pudiese disputar el hombre con Dios, como con su prójimo!
22Want luttel zijn de jaren, die mij nog resten, Eer ik de weg bewandel, waarlangs men niet terugkeert.
22Mas los años contados vendrán, y yo iré el camino por donde no volveré.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.