Job
Chapter 23
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Reina-Valera 1909
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Job antwoordde, en sprak:
1Y RESPONDIÓ Job, y dijo:
2Al weer heet mijn klagen verzet: Maar zijn hand dwingt mij tot zuchten!
2Hoy también hablaré con amargura; que es más grave mi llaga que mi gemido.
3Ach, dat ik Hem vinden kon, En voor zijn troon kon verschijnen!
3¡Quién me diera el saber dónde hallar á Dios! yo iría hasta su silla.
4Dan zette ik Hem mijn zaak uiteen, En vulde mijn mond met bewijzen;
4Ordenaría juicio delante de él, y henchiría mi boca de argumentos.
5Dan kende ik de woorden, waarmee Hij mij antwoordt, Vernam ik, wat Hij mij zegt.
5Yo sabría lo que él me respondería, y entendería lo que me dijese.
6Zou Hij zijn macht in het geding moeten brengen? Neen, als Hij slechts naar mij hoorde!
6¿Pleitearía conmigo con grandeza de fuerza? No: antes él la pondría en mí.
7Dan zou Hij bemerken dat er bij Hem een onschuldige pleit, En ik was voorgoed van mijn Rechter bevrijd!
7Allí el justo razonaría con él: y escaparía para siempre de mi juez.
8Maar ga ik naar het oosten, Hij is er niet, Of naar het westen, ik bespeur Hem niet;
8He aquí yo iré al oriente, y no lo hallaré ; y al occidente, y no lo percibiré:
9Ik zoek Hem ten noorden, ik vind Hem niet, Wend mij naar het zuiden, ik zie Hem niet.
9Si al norte él obrare, yo no lo veré; al mediodía se esconderá, y no lo veré.
10Het is, omdat Hij mijn wandel kent Omdat ik als goud te voorschijn zou treden, als Hij mij toetst:
10Mas él conoció mi camino: probaráme, y saldré como oro.
11Want mijn voet bleef steeds in zijn spoor, Ik hield zijn pad, en verliet het nooit!
11Mis pies tomaron su rastro; guardé su camino, y no me aparté.
12Van het bevel zijner lippen week ik niet af, Het woord van zijn mond heb ik in mijn boezem bewaard:
12Del mandamiento de sus labios nunca me separé; guardé las palabras de su boca más que mi comida.
13Maar wil Hij iets, wie kan Hem beletten, Begeert Hij iets, Hij voert het uit!
13Empero si él se determina en una cosa, ¿quién lo apartará? Su alma deseó, é hizo.
14Ja, Hij volbrengt, wat Hij over mij heeft besloten, Met al het andere, wat Hij heeft beschikt:
14El pues acabará lo que ha determinado de mí: y muchas cosas como estas hay en él.
15En daarom ben ik voor Hem zo bang, Sidder ik, als ik aan Hem denk.
15Por lo cual yo me espanto en su presencia: consideraré, y temerélo.
16Het is God, die mijn hart murw heeft geslagen, De Almachtige, die mij verschrikt;
16Dios ha enervado mi corazón, y hame turbado el Omnipotente.
17Neen, niet door de duisternis ben ik ontsteld Niet door het donker, dat mijn gelaat bedekt!
17¿Por qué no fuí yo cortado delante de las tinieblas, y cubrió con oscuridad mi rostro?

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.