Job 11
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Daarop nam Sofar van Naäma het woord, en sprak:
1Y RESPONDIÓ Sophar Naamathita, y dijo:
2Zo’n praatvaar zou onbeantwoord blijven, Zo’n held met de lippen in het gelijk gesteld;
2¿Las muchas palabras no han de tener respuesta? ¿y el hombre parlero será justificado?
3Uw zwetsen zou anderen tot zwijgen brengen, Uw onzinnig gebrabbel door niemand worden beschaamd?
3¿Harán tus falacias callar á los hombres? ¿y harás escarnio, y no habrá quien te avergüence?
4Gij zegt tot God: Mijn wandel is rein, Ik ben onberispelijk in uw oog!
4Tú dices: Mi conversar es puro, y yo soy limpio delante de tus ojos.
5Wilde God maar eens spreken, Zijn lippen tegen u openen,
5Mas ¡oh quién diera que Dios hablara, y abriera sus labios contigo,
6U de geheimen der Wijsheid ontvouwen, Die zo moeilijk zijn te verstaan: Dan zoudt ge erkennen, dat God van u eist, Wat uw misdaad verdient.
6Y que te declarara los arcanos de la sabiduría, que son de doble valor que la hacienda! Conocerías entonces que Dios te ha castigado menos que tu iniquidad merece.
7Zoudt ge de diepten Gods kunnen peilen, De alwetendheid van den Almachtige doorgronden?
7¿Alcanzarás tú el rastro de Dios? ¿llegarás tú á la perfección del Todopoderoso?
8Zij is hoger nog dan de hemelen: Wat kunt ge beginnen; Dieper nog dan de onderwereld: Wat kunt ge begrijpen;
8Es más alto que los cielos: ¿qué harás? Es más profundo que el infierno: ¿cómo lo conocerás?
9Haar meetsnoer is langer dan de aarde, En breder nog dan de zee!
9Su dimensión es más larga que la tierra, y más ancha que la mar.
10Als hij iets laat passeren, het verborgen houdt, Of het ruchtbaar maakt: wie zal Hem weerhouden?
10Si cortare, ó encerrare, ó juntare, ¿quién podrá contrarrestarle?
11Want Hij doorschouwt de bedriegelijke mensen; Hij kent het kwaad, het ontgaat Hem niet!
11Porque él conoce á los hombres vanos: ve asimismo la iniquidad, ¿y no hará caso?
12Maar een leeghoofd zal dit eerst begrijpen, Als het jong van een ezel een mensenkind wordt!
12El hombre vano se hará entendido, aunque nazca como el pollino del asno montés.
13Maar wanneer gij er acht op wilt slaan, En tot Hem uw handen verheft,
13Si tú apercibieres tu corazón, y extendieres á él tus manos;
14De misdaad uit uw hand verwijdert, En in uw tenten geen onrecht laat wonen:
14Si alguna iniquidad hubiere en tu mano, y la echares de ti, y no consintieres que more maldad en tus habitaciones;
15Dan heft ge smetteloos het hoofd omhoog, Dan staat ge vast, en behoeft niet te vrezen.
15Entonces levantarás tu rostro limpio de mancha, y serás fuerte y no temerás:
16Ja, dan zult ge de ellende vergeten, Er aan denken als aan water, dat voorbij is gestroomd;
16Y olvidarás tu trabajo, ó te acordarás de él como de aguas que pasaron:
17Dan rijst uw leven klaarder nog dan de middag, En uw duisternis zal als de morgen zijn;
17Y en mitad de la siesta se levantará bonanza; resplandecerás, y serás como la mañana:
18Dan zult ge vertrouwen, Want er is weer hoop! Dan gaat ge weer slapen onder veilige hoede,
18Y confiarás, que habrá esperanza; y cavarás, y dormirás seguro:
19Dan legt ge u neer, en schrikt niemand u op; Dan dingen velen naar uw gunst,
19Y te acostarás, y no habrá quien te espante: y muchos te rogarán.
20Terwijl de ogen der bozen versmachten: Want die blijven van iedere toevlucht verstoken, Hun enige hoop is hun laatste zucht!
20Mas los ojos de los malos se consumirán, y no tendrán refugio; y su esperanza será agonía del alma.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.