Job
Chapter 18
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Reina-Valera 1909
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Nu nam Bildad van Sjóeach het woord, en sprak:
1Y RESPONDIÓ Bildad Suhita, y dijo:
2Wanneer maakt gij eindelijk eens een eind aan uw praten, Wordt gij verstandig, en laat ons aan het woord;
2¿Cuándo pondréis fin á las palabras? Entended, y después hablemos.
3Waarom worden wij als vee beschouwd, En zijn wij zo dom in uw ogen?
3¿Por qué somos tenidos por bestias, y en vuestros ojos somos viles?
4Gij, die in uw woede uzelf verscheurt: Zou om uwentwil de aarde worden ontvolkt, Een rots van haar plaats verwijderd, Een berg van zijn grondslag gerukt?
4Oh tú, que despedazas tu alma con tu furor, ¿será dejada la tierra por tu causa, y serán traspasadas de su lugar las peñas?
5Waarachtig, het licht van den boze dooft uit, De vlam van zijn vuur blijft niet schijnen;
5Ciertamente la luz de los impíos será apagada, y no resplandecerá la centella de su fuego.
6Het licht wordt donker in zijn tent, De lamp gaat boven hem uit.
6La luz se oscurecerá en su tienda, y apagaráse sobre él su lámpara.
7Zijn krachtige tred wordt verlamd, Zijn eigen beleid doet hem struikelen;
7Los pasos de su pujanza serán acortados, y precipitarálo su mismo consejo.
8Want door zijn eigen voeten wordt hij in het net gedreven, En wandelt hij over de mazen.
8Porque red será echada en sus pies, y sobre red andará.
9Een klem grijpt zijn hiel, een net houdt hem vast.
9Lazo prenderá su calcañar: afirmaráse la trampa contra él.
10Zijn strik ligt in de grond verborgen, een val op zijn pad;
10Su cuerda está escondida en la tierra, y su torzuelo sobre la senda.
11Verschrikkingen beangstigen hem van alle kant, En vervolgen hem, stap voor stap.
11De todas partes lo asombrarán temores, y haránle huir desconcertado.
12Het onheil hongert naar hem, De rampspoed staat aan zijn zijde gereed;
12Su fuerza será hambrienta, y á su lado estará aparejado quebrantamiento.
13Zijn huid wordt door ziekte verteerd, De eersteling van de dood slokt zijn leden op.
13El primogénito de la muerte comerá los ramos de su piel, y devorará sus miembros.
14Hij wordt uit zijn tent gerukt, waar hij zich veilig waande, En zij sleept hem naar den vorst der verschrikking
14Su confianza será arrancada de su tienda, y harále esto llevar al rey de los espantos.
15Zij woont in zijn tent, die hem niet langer behoort, En over zijn woning wordt zwavel gestrooid.
15En su tienda morará como si no fuese suya: piedra azufre será esparcida sobre su morada.
16Van onderen verdorren zijn wortels, Van boven verwelken zijn twijgen;
16Abajo se secarán sus raíces, y arriba serán cortadas sus ramas.
17Zijn gedachtenis verdwijnt uit het land, Zelfs in de steppe heeft hij geen naam.
17Su memoria perecerá de la tierra, y no tendrá nombre por las calles.
18Men stoot hem uit het licht de duisternis in, Men jaagt hem uit de wereld weg;
18De la luz será lanzado á las tinieblas, y echado fuera del mundo.
19Hij heeft onder zijn volk geen kroost, geen geslacht, In zijn woonplaats geen, die hem rest.
19No tendrá hijo ni nieto en su pueblo, ni quien le suceda en sus moradas.
20Over zijn lot staat het Westen ontsteld, En het Oosten siddert er van:
20Sobre su día se espantarán los por venir, como ocupó el pavor á los que fueron antes.
21Waarachtig, zo gaat het met het verblijf van den boze, Met de woonplaats van hem, die God miskent!
21Ciertamente tales son las moradas del impío, y este será el lugar del que no conoció á Dios.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.