Job 9
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Berean Standard Bible
1Job antwoordde, en sprak:
1Then Job answered:
2Zeker, ik weet wel, dat het zo is; Maar hoe kan een mens tegenover God in zijn recht zijn?
2“Yes, I know that it is so, but how can a mortal be righteous before God?
3Wanneer hij Hem ter verantwoording wil roepen, Geeft Hij niet eens op de duizendmaal antwoord;
3If one wished to contend with God, he could not answer Him one time out of a thousand.
4Wie heeft den Alwijze en den Almachtige Ooit ongedeerd getrotseerd?
4God is wise in heart and mighty in strength. Who has resisted Him and prospered?
5Hem, die bergen verzet, en ze merken het niet, Ze onderstboven keert in zijn toorn;
5He moves mountains without their knowledge and overturns them in His anger.
6Die de aarde op haar plaats doet schudden, Haar zuilen trillen ervan;
6He shakes the earth from its place, so that its foundations tremble.
7Die de zon bevel geeft, niet te stralen, En de sterren onder een zegel legt!
7He commands the sun not to shine; He seals off the stars.
8Die de hemel uitspant, Hij alleen, En voortschrijdt over de golven der zee;
8He alone stretches out the heavens and treads on the waves of the sea.
9Die Grote Beer en Orion schiep, Plejaden en het Zuiderkruis;
9He is the Maker of the Bear and Orion, of the Pleiades and the constellations of the south.
10Die grootse, ondoorgrondelijke dingen wrocht, En talloze wonderen!
10He does great things beyond searching out, and wonders without number.
11Zie, Hij gaat mij voorbij, en ik zie het niet, Hij glijdt langs mij heen, ik bemerk het niet;
11Were He to pass by me, I would not see Him; were He to move, I would not recognize Him.
12Rooft Hij: Wie zal Hem weerhouden? Wie Hem zeggen: Wat doet Gij?
12If He takes away, who can stop Him? Who dares to ask Him, ‘What are You doing?’
13God, die zijn gramschap niet weerhoudt: Zelfs Ráhabs helpers moesten zich onder Hem krommen!
13God does not restrain His anger; the helpers of Rahab cower beneath Him.
14Hoe zou ik Hem dan ter verantwoording roepen, Mijn woorden tegenover Hem vinden?
14How then can I answer Him or choose my arguments against Him?
15Ik, die geen antwoord krijg, al heb ik ook recht, Maar mijn Rechter om genade moet smeken;
15For even if I were right, I could not answer. I could only beg my Judge for mercy.
16En al gaf Hij mij antwoord, als ik riep, Dan geloof ik niet, dat Hij naar mij zou luisteren.
16If I summoned Him and He answered me, I do not believe He would listen to my voice.
17Hij, die mij vertrapt om een kleinigheid En mijn smarten vermeerdert om niet;
17For He would crush me with a tempest and multiply my wounds without cause.
18Hij, die mij niet op adem laat komen, Maar mij met bitter wee overstelpt.
18He does not let me catch my breath, but overwhelms me with bitterness.
19Gaat het om kracht: Hij is er, de Sterke! Gaat het om recht: Wie klaagt Hem aan?
19If it is a matter of strength, He is indeed mighty! If it is a matter of justice, who can summon Him ?
20Al had ik ook recht, zijn mond veroordeelde mij; Al was ik onschuldig, Hij verklaarde mij schuldig!
20Even if I were righteous, my mouth would condemn me; if I were blameless, it would declare me guilty.
21Ben ik onschuldig? Ik weet het zelf nu niet meer. Ik verfoei mijn bestaan: Het is mij allemaal één!
21Though I am blameless, I have no concern for myself; I despise my own life.
22Maar daarom roep ik het uit: Onschuldigen en schuldigen slaat Hij neer!
22It is all the same, and so I say, ‘He destroys both the blameless and the wicked.’
23Wanneer zijn gesel plotseling doodt, Lacht Hij met de vertwijfeling van de onschuldigen;
23When the scourge brings sudden death, He mocks the despair of the innocent.
24Is het land aan bozen overgeleverd, Hij bindt nog een blinddoek op het gelaat van de rechters: Want zo Hij het niet doet, Wie doet het dan wel?
24The earth is given into the hand of the wicked; He blindfolds its judges. If it is not He, then who is it?
25Zo vliegen mijn dagen voorbij, Sneller nog dan een ijlbode; Zo vluchten ze weg, Zonder geluk te aanschouwen;
25My days are swifter than a runner; they flee without seeing good.
26Ze schieten heen als schepen van riet, Als een adelaar, die zich werpt op zijn prooi.
26They sweep by like boats of papyrus, like an eagle swooping down on its prey.
27Denk ik, ik wil mijn jammer vergeten, Weer vrolijk schijnen en blij,
27If I were to say, ‘I will forget my complaint and change my expression and smile,’
28Dan ben ik weer bang voor al mijn smarten, Wetend, dat Gij mij niet voor onschuldig houdt.
28I would still dread all my sufferings; I know that You will not acquit me.
29En wanneer ik dan toch schuldig moet zijn, Waarom doe ik mijn best, om niet?
29Since I am already found guilty, why should I labor in vain?
30Al was ik mij nog zo schoon met sneeuw, En reinig mijn handen met zeep,
30If I should wash myself with snow and cleanse my hands with lye,
31Toch ploft Gij mij neer in het vuil, Zodat mijn kleren van mij walgen.
31then You would plunge me into the pit, and even my own clothes would despise me.
32Neen, Gij zijt geen mens, zoals ik, dien ik ter verantwoording roep, Zodat wij te zamen voor de rechtbank verschijnen!
32For He is not a man like me, that I can answer Him, that we can take each other to court.
33Ach, mocht er een scheidsrechter tussen ons zijn, Die zijn hand op ons beiden kon leggen;
33Nor is there a mediator between us, to lay his hand upon us both.
34Die Gods roede van mij weg zou nemen, Zodat de schrik voor Hem mij niet deerde:
34Let Him remove His rod from me, so that His terror will no longer frighten me.
35Dan zou ik spreken zonder Hem te vrezen; Maar nu er geen is, neem ik het op voor mijzelf!
35Then I would speak without fear of Him. But as it is, I am on my own.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.