Job 7
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Heeft de mens niet een krijgsdienst op aarde, Gelijken zijn dagen niet op die van een knecht?
1Zdaliž nemá vyměřeného času člověk na zemi? A dnové jeho jako dnové nájemníka.
2Zoals een slaaf, die naar de schaduw verlangt, Zoals een knecht, die op zijn loon staat te wachten:
2Jako služebník, kterýž touží po stínu, a jako nájemník, jenž očekává skonání díla svého:
3Zo werden maanden van ellende mijn deel, En nachten van lijden mijn lot;
3Tak jsou mi dědičně přivlastněni měsícové marní, a noci plné trápení jsou mi odečteny.
4Ga ik slapen, dan denk ik: wanneer wordt het dag, Als ik opsta: wanneer wordt het avond? Maar de avond blijft zich eindeloos rekken, En ik blijf vol onrust tot aan de morgen;
4Jestliže ležím, říkám: Kdy vstanu? A pomine noc? Tak pln bývám myšlení až do svitání.
5Mijn vlees is met maden en korsten bedekt, Mijn huid splijt open en draagt;
5Tělo mé odíno jest červy a strupem i prachem, kůže má puká se a rozpouští.
6Mijn dagen zijn sneller dan een weversspoel, En lopen af, bij gebrek aan draad.
6Dnové moji rychlejší byli nežli člunek tkadlce, nebo stráveni jsou bez prodlení.
7Bedenk, dat mijn leven een ademtocht is, Dat mijn oog nooit meer het geluk zal aanschouwen;
7Rozpomeň se, ó Pane, že jako vítr jest život můj, a oko mé že více neuzří dobrých věcí,
8Dat het oog van hem, die mij ziet, mij niet meer zal speuren, En wanneer gij uw blik op mij richt, ik er niet meer zal zijn.
8Aniž mne spatří oko, jenž mne vídalo. Oči tvé budou ke mně, a mne již nebude.
9Zoals een wolk vervliegt en verdwijnt, Zo stijgt, die in het dodenrijk daalt, er niet meer uit op;
9Jakož oblak hyne a mizí, tak ten, kterýž sstupuje do hrobu, nevystoupí zase,
10Hij keert naar zijn huis niet meer terug, En zijn eigen woonplaats kent hem niet langer!
10Aniž se opět navrátí do domu svého, aniž ho již více pozná místo jeho.
11En daarom zal ik mijn mond niet snoeren, Maar spreken in de benauwdheid van mijn geest, En klagen in de bitterheid van mijn ziel: Gij dwingt mij er toe!
11Protož nemohuť já zdržeti úst svých, mluvím v ssoužení ducha svého, naříkám v hořkosti duše své.
12Ik ben toch geen zee, of geen monster der zee Dat gij mij een slot oplegt!
12Zdali jsem já mořem čili velrybem, že jsi mne stráží osadil?
13Wanneer ik denk: mijn bed brengt mij troost, Mijn sponde zal mijn zuchten verlichten:
13Když myslím: Potěší mne lůže mé, poodejme naříkání mého postel má:
14Dan gaat Gij mij door dromen verschrikken, En jaagt mij door visioenen ontsteltenis aan;
14Tedy mne strašíš sny, a viděními děsíš mne,
15Zodat ik nog liever word gewurgd, En de dood boven mijn smarten verkies.
15Tak že sobě zvoluje zaškrcení duše má, a smrt nad život.
16Ik verdwijn, ik blijf niet altijd in leven, Laat mij met rust, want mijn dagen zijn enkel een zucht!
16Mrzí mne, nebuduť déle živ. Poodstupiž ode mne, nebo marní jsou dnové moji.
17Wat is de mens, dat Gij zoveel belang in hem stelt, En hem uw aandacht blijft wijden;
17Co jest člověk, že ho sobě tak vážíš, a že tak o něj pečuješ?
18Dat Gij morgen aan morgen hem nagaat, En hem elk ogenblik toetst?
18A že ho navštěvuješ každého jitra, a každé chvíle jej zkušuješ?
19Wanneer wendt Gij eindelijk eens uw oog van mij af, En laat Gij mij tijd, om mijn speeksel te slikken?
19Dokudž se neodvrátíš ode mne, a nedáš mi aspoň polknouti mé sliny?
20Heb ik gezondigd: wat deed ik U, Gij Mensenbewaker! Waarom hebt Gij mij tot uw mikpunt gemaakt, En ben ik U maar tot last;
20Zhřešil jsem, což mám učiniti, ó strážce lidský? Proč jsi mne položil za cíl sobě, tak abych sám sobě byl břemenem?
21Waarom niet liever mijn zonde vergeven, En mijn misdaad vergeten? Want weldra lig ik neer in het stof: Dan kunt Gij me zoeken, maar ik ben er niet meer!
21Nýbrž proč neodejmeš přestoupení mého, a neodpustíš nepravosti mé? Nebo již v zemi lehnu. Potom bys mne i pilně hledal, nebude mne.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.