Job 15
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Elifaz van Teman nam het woord en sprak:
1Tedy odpovídaje Elifaz Temanský, řekl:
2Antwoordt een wijze met bluf, En blaast hij zich op met oostenwind;
2Zdali moudrý vynášeti má umění povětrné, aneb naplňovati východním větrem břicho své,
3Verdedigt hij zich met beuzelpraat En met holle frasen?
3Hádaje se slovy neprospěšnými, aneb řečmi neužitečnými?
4Gij breekt zowaar de godsvrucht af, En verstoort de overpeinzing voor het aanschijn van God.
4Anobrž vyprazdňuješ i bázeň Boží, a modliteb k Bohu činiti se zbraňuješ.
5Daar uw schuldig geweten uw mond onderricht, En gij de taal van bedriegers kiest,
5Osvědčujíť zajisté nepravost tvou ústa tvá, ač jsi koli sobě zvolil jazyk chytrých.
6Is het uw eigen mond, die u vonnist: niet ik, Zijn het uw eigen lippen, die tegen u getuigen.
6Potupují tě ústa tvá, a ne já, a rtové tvoji svědčí proti tobě.
7Zijt gij als eerste der mensen geboren, Nog vóór de heuvelen ter wereld gebracht;
7Zdaliž ty nejprv z lidí zplozen jsi, aneb prvé než pahrbkové sformován?
8Luistert ge toe in de raad van God, En hebt ge beslag op de Wijsheid gelegd?
8Zdaliž jsi tajemství Boží slyšel, že u sebe zavíráš moudrost?
9Wat weet gij, wat wij niet weten, Wat begrijpt gij, wat wij niet verstaan?
9Co víš, čehož bychom nevěděli? Èemu rozumíš, aby toho při nás nebylo?
10Ook onder ons zijn bejaarden en grijsaards, Ouder van dagen nog dan uw vader!
10I šedivýť i stařec mezi námi jest, ano i starší věkem než otec tvůj.
11Zijn soms voor ú de vertroostingen Gods te gering, Het woord, met zachtheid tot u gesproken?
11Zdali malá jsou tobě potěšování Boha silného, čili něco je zastěňuje tobě?
12Hoe sleept uw hartstocht u mee, En hoe rollen uw ogen:
12Tak-liž tě jalo srdce tvé, a tak-liž blíkají oči tvé,
13Dat ge uw wrevel tegen God durft keren, En zulke woorden aan uw mond laat ontglippen!
13Že smíš odpovídati Bohu silnému tak pyšně, a vypouštěti z úst svých ty řeči?
14Wat is een mens, dat hij rein zou zijn, Rechtschapen, die uit een vrouw is geboren?
14Nebo což jest člověk, aby se mohl očistiti, aneb spravedliv býti narozený z ženy?
15Zie, zelfs op zijn Heiligen kan Hij niet bouwen, En de hemel is niet rein in zijn oog;
15An při svatých jeho není dokonalosti, a nebesa nejsou čistá před očima jeho,
16Hoeveel minder de mens, afschuwelijk, bedorven, Die de ongerechtigheid als water drinkt!
16Nadto ohavný a neužitečný člověk, kterýž pije nepravost jako vodu.
17Ik zal het u tonen, luister naar mij; Wat ik gezien heb, u gaan vertellen.
17Já oznámím tobě, poslyš mne; to zajisté, což jsem viděl, vypravovati budu,
18Het is hetzelfde, wat de wijzen verkonden, En wat hun vaderen hun niet hadden verborgen,
18Což moudří vynesli a nezatajili, slýchavše od předků svých.
19Aan wie alleen het land was geschonken, En bij wie nog geen vreemde was binnengedrongen
19Jimž samým dána byla země, aniž přejíti mohl cizí prostředkem jejich.
20De goddeloze verkeert heel zijn leven in angst, De tyran al de jaren, die voor hem zijn bedongen;
20Po všecky své dny bezbožný sám se bolestí trápí, po všecka, pravím léta, skrytá před ukrutníkem.
21Schrikgeluiden treffen zijn oren, In volle vrede stormt de plunderaar op hem af.
21Zvuk strachu jest v uších jeho, že i v čas pokoje zhoubce připadne na něj.
22Hij hoopt niet eens, aan de duisternis te ontsnappen, En is bestemd voor het zwaard;
22Nevěří, by se měl navrátiti z temností, ustavičně očekávaje na sebe meče.
23Hij wordt als een aas voor de gieren geworpen, En weet, dat sombere dagen hem wachten.
23Bývá i tulákem, chleba hledaje, kde by byl, cítě, že pro něj nastrojen jest den temností.
24Benauwdheid en angst grijpt hem aan, Als een koning ten aanval gereed:
24Děsí jej nátisk a ssoužení, kteréž se silí proti němu, jako král s vojskem sšikovaným.
25Want hij heeft zijn hand tegen God opgeheven, Den Almachtige durven trotseren;
25Nebo vztáhl proti Bohu silnému ruku svou, a proti Všemohoucímu postavil se.
26Is met trotse nek op Hem afgestormd, Met zijn zwaar beslagen rondas!
26Útok učinil na něj, na šíji jeho s množstvím zdvižených štítů svých.
27Omdat hij zijn gelaat met vet heeft bedekt, En een vetlaag gelegd op zijn lenden:
27Nebo přiodíl tvář svou tukem svým, tak že se mu nadělalo faldů na slabinách.
28Daarom vestigt hij zich in verwoeste steden, In onbewoonbare huizen, die tot puin zijn vervallen;
28A bydlil v městech zkažených, a v domích, v nichž žádný nebydlil, kteráž v hromady rumu obrácena byla.
29Hij blijft niet rijk, En zijn vermogen houdt geen stand;
29Avšak nezbohatneť, aniž stane moc jeho, aniž se rozšíří na zemi dokonalost takových.
30Zijn schaduw breidt zich niet uit op de grond, En hij ontsnapt de duisternis niet; Het vuur zal zijn loten verschroeien, De wind zijn bloesem verwaaien!
30Nevyjde z temností, mladistvou ratolest jeho usuší plamen, a tak zahyne od ducha úst svých.
31Laat hem niet op zijn gestalte vertrouwen, Hij komt bedrogen uit, ze is enkel schijn.
31Ale nevěří, že v marnosti jest ten, jenž bloudí, a že marnost bude směna jeho.
32Zijn ranken verdorren vóór de tijd, En zijn twijgen groenen niet meer;
32Před časem svým vyťat bude, a ratolest jeho nebude se zelenati.
33Hij is als de wijnstok, die zijn druiven laat vallen, En als de olijf, die zijn bloesem verliest!
33Zmaří, jako vinný kmen nezralý hrozen svůj, a svrže květ svůj jako oliva.
34Ja, de bent der goddelozen is onvruchtbaar, En het vuur verteert de tenten der omkoperij;
34Nebo shromáždění pokrytce spustne, a oheň spálí stany oslepených dary.
35Ze gaan zwanger van ellende, en baren onheil, Hun schoot draagt ontgoocheling!
35Kteřížto když počali ssužování, a porodili nepravost, hned břicho jejich strojí jinou lest.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.