Job
Chapter 15
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Greek …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Elifaz van Teman nam het woord en sprak:
1ΥΠΟΛΑΒΩΝ δὲ Ἐλιφὰζ ὁ Θαιμανίτης λέγει·
2Antwoordt een wijze met bluf, En blaast hij zich op met oostenwind;
2πότερον σοφὸς ἀπόκρισιν δώσει συνέσεως πνεῦμα καὶ ἐνέπλησε πόνον γαστρὸς
3Verdedigt hij zich met beuzelpraat En met holle frasen?
3ἐλέγχων ἐν ρήμασιν, οἷς οὐ δεῖ, καὶ ἐν λόγοις, οἷς οὐδὲν ὄφελος;
4Gij breekt zowaar de godsvrucht af, En verstoort de overpeinzing voor het aanschijn van God.
4οὐ καὶ σὺ ἀπεποιήσω φόβον, συνετελέσω δὲ ρήματα τοιαῦτα ἔναντι τοῦ Κυρίου;
5Daar uw schuldig geweten uw mond onderricht, En gij de taal van bedriegers kiest,
5ἔνοχος εἶ ρήμασι στόματός σου, οὐδὲ διέκρινας ρήματα δυναστῶν.
6Is het uw eigen mond, die u vonnist: niet ik, Zijn het uw eigen lippen, die tegen u getuigen.
6ἐλέγξαι σε τὸ σὸν στόμα καὶ μὴ ἐγώ, τὰ δὲ χείλη σου καταμαρτυρήσουσί σου·
7Zijt gij als eerste der mensen geboren, Nog vóór de heuvelen ter wereld gebracht;
7τί γάρ; μὴ πρῶτος ἀνθρώπων ἐγεννήθης; ἢ πρὸ θινῶν ἐπάγης;
8Luistert ge toe in de raad van God, En hebt ge beslag op de Wijsheid gelegd?
8ἦ σύνταγμα Κυρίου ἀκήκοας, ἢ συμβούλῳ σοι ἐχρήσατο ὁ Θεός, εἰς δὲ σὲ ἀφίκετο σοφία;
9Wat weet gij, wat wij niet weten, Wat begrijpt gij, wat wij niet verstaan?
9τί γὰρ οἶδας, ὃ οὐκ οἴδαμεν; ἢ τί συνίεις σύ, ὃ οὐ καὶ ἡμεῖς;
10Ook onder ons zijn bejaarden en grijsaards, Ouder van dagen nog dan uw vader!
10καί γε πρεσβύτης καί γε παλαιὸς ἐν ἡμῖν, βαρύτερος τοῦ πατρός σου ἡμέραις.
11Zijn soms voor ú de vertroostingen Gods te gering, Het woord, met zachtheid tot u gesproken?
11ὀλίγα ὧν ἡμάρτηκας μεμαστίγωσαι, μεγάλως ὑπερβαλλόντως λελάληκας.
12Hoe sleept uw hartstocht u mee, En hoe rollen uw ogen:
12τί ἐτόλμησεν ἡ καρδία σου, ἢ τί ὑπένεγκαν οἱ ὀφθαλμοί σου;
13Dat ge uw wrevel tegen God durft keren, En zulke woorden aan uw mond laat ontglippen!
13ὅτι θυμὸν ἔρρηξας ἔναντι Κυρίου, ἐξήγαγες δὲ ἐκ στόματος ρήματα τοιαῦτα.
14Wat is een mens, dat hij rein zou zijn, Rechtschapen, die uit een vrouw is geboren?
14τίς γὰρ ὢν βροτός, ὅτι ἔσται ἄμεμπτος, ἢ ὡς ἐσόμενος δίκαιος γεννητὸς γυναικός;
15Zie, zelfs op zijn Heiligen kan Hij niet bouwen, En de hemel is niet rein in zijn oog;
15εἰ κατὰ ἁγίων οὐ πιστεύει, οὐρανὸς δὲ οὐ καθαρὸς ἐναντίον αὐτοῦ;
16Hoeveel minder de mens, afschuwelijk, bedorven, Die de ongerechtigheid als water drinkt!
16ἔα δὲ ἐβδελυγμένος καὶ ἀκάθαρτος ἀνήρ, πίνων ἀδικίας ἴσα ποτῷ·
17Ik zal het u tonen, luister naar mij; Wat ik gezien heb, u gaan vertellen.
17ἀναγγελῶ δέ σοι, ἄκουέ μου· ἃ δὴ ἐώρακα, ἀναγγελῶ σοι,
18Het is hetzelfde, wat de wijzen verkonden, En wat hun vaderen hun niet hadden verborgen,
18ἃ σοφοὶ ἐροῦσι καὶ οὐκ ἔκρυψαν πατέρες αὐτῶν·
19Aan wie alleen het land was geschonken, En bij wie nog geen vreemde was binnengedrongen
19αὐτοῖς μόνοις ἐδόθη ἡ γῆ, καὶ οὐκ ἐπῆλθεν ἀλλογενὴς ἐπ᾿ αὐτούς.
20De goddeloze verkeert heel zijn leven in angst, De tyran al de jaren, die voor hem zijn bedongen;
20πᾶς ὁ βίος ἀσεβοῦς ἐν φροντίδι, ἔτη δὲ ἀριθμητὰ δεδομένα δυνάστῃ,
21Schrikgeluiden treffen zijn oren, In volle vrede stormt de plunderaar op hem af.
21ὁ δὲ φόβος αὐτοῦ ἐν ὠσὶν αὐτοῦ· ὅταν δοκῇ ἤδη εἰρηνεύειν, ἥξει αὐτοῦ ἡ καταστροφή.
22Hij hoopt niet eens, aan de duisternis te ontsnappen, En is bestemd voor het zwaard;
22μὴ πιστευέτω ἀποστραφῆναι ἀπὸ σκότους· ἐντέταλται γὰρ ἤδη εἰς χεῖρας σιδήρου,
23Hij wordt als een aas voor de gieren geworpen, En weet, dat sombere dagen hem wachten.
23κατατέτακται δὲ εἰς σῖτα γυψίν· οἶδε δὲ ἐν ἑαυτῷ ὅτι μένει εἰς πτῶμα. ἡμέρα δὲ σκοτεινὴ αὐτὸν στροβήσει,
24Benauwdheid en angst grijpt hem aan, Als een koning ten aanval gereed:
24ἀνάγκη δὲ καὶ θλῖψις αὐτὸν καθέξει ὥσπερ στρατηγὸς πρωτοστάτης πίπτων.
25Want hij heeft zijn hand tegen God opgeheven, Den Almachtige durven trotseren;
25ὅτι ἦρκε χεῖρας ἐναντίον τοῦ Κυρίου, ἔναντι δὲ Κυρίου παντοκράτορος ἐτραχηλίασεν,
26Is met trotse nek op Hem afgestormd, Met zijn zwaar beslagen rondas!
26ἔδραμε δὲ ἐναντίον αὐτοῦ ὕβρει ἐν πάχει νώτου ἀσπίδος αὐτοῦ,
27Omdat hij zijn gelaat met vet heeft bedekt, En een vetlaag gelegd op zijn lenden:
27ὅτι ἐκάλυψε τὸ πρόσωπον αὐτοῦ ἐν στέατι αὐτοῦ καὶ ἐποίησε περιστόμιον ἐπὶ τῶν μηρίων.
28Daarom vestigt hij zich in verwoeste steden, In onbewoonbare huizen, die tot puin zijn vervallen;
28αὐλισθείη δὲ πόλεις ἐρήμους, εἰσέλθοι δὲ εἰς οἴκους ἀοικήτους· ἃ δὲ ἐκεῖνοι ἡτοίμασαν, ἄλλοι ἀποίσονται.
29Hij blijft niet rijk, En zijn vermogen houdt geen stand;
29οὔτε μὴ πλουτισθῇ, οὔτε μὴ μείνῃ αὐτοῦ τὰ ὑπάρχοντα, οὐ μὴ βάλῃ ἐπὶ τὴν γῆν σκιὰν
30Zijn schaduw breidt zich niet uit op de grond, En hij ontsnapt de duisternis niet; Het vuur zal zijn loten verschroeien, De wind zijn bloesem verwaaien!
30οὐδὲ μὴ ἐκφύγῃ τὸ σκότος. τὸν βλαστὸν αὐτοῦ μαράναι ἄνεμος, ἐκπέσοι δὲ αὐτοῦ τὸ ἄνθος.
31Laat hem niet op zijn gestalte vertrouwen, Hij komt bedrogen uit, ze is enkel schijn.
31μὴ πιστευέτω ὅτι ὑπομενεῖ, κενὰ γὰρ ἀποβήσεται αὐτῷ·
32Zijn ranken verdorren vóór de tijd, En zijn twijgen groenen niet meer;
32ἡ τομὴ αὐτοῦ πρὸ ὥρας φθαρήσεται, καὶ ὁ ράδαμνος αὐτοῦ οὐ μὴ πυκάσῃ·
33Hij is als de wijnstok, die zijn druiven laat vallen, En als de olijf, die zijn bloesem verliest!
33τρυγηθείη δὲ ὡς ὄμβραξ πρὸς ὥρας, ἐκπέσοι δὲ ὡς ἄνθος ἐλαίας.
34Ja, de bent der goddelozen is onvruchtbaar, En het vuur verteert de tenten der omkoperij;
34μαρτύριον γὰρ ἀσεβοῦς θάνατος, πῦρ δὲ καύσει οἴκους δωροδεκτῶν.
35Ze gaan zwanger van ellende, en baren onheil, Hun schoot draagt ontgoocheling!
35ἐν γαστρὶ δὲ λήψεται ὀδύνας, ἀποβήσεται δὲ ἑαυτῷ κενά, ἡ δὲ κοιλία αὐτοῦ ὑποίσει δόλον.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.